Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT5574

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-11-2005
Datum publicatie
04-11-2005
Zaaknummer
R04/136HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT5574
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

WSNP, beëindiging van de schuldsaneringsregeling op de voet van art. 354 lid 1 F. zonder aan de schuldenaar de “schone lei” te verlenen, niet-nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen (art. 350 lid 3, aanhef en onder c, F.), informatieplicht schuldenaar omtrent een vóór het toelatingsverzoek begaan strafbaar feit en de daarop gevolgde veroordeling in het buitenland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 615
NJ 2006, 135
JWB 2005/372
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 november 2005

Eerste Kamer

Rek.nr. R04/136HR

RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Verzoekster],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. J.P. Heering.

1. Het geding in feitelijke instanties

Bij vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 2 april 2001 is ten aanzien van verzoekster tot cassatie - verder te noemen: [verzoekster] - de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

Op 22 juli 2004 heeft de verificatievergadering en de behandeling van het saneringsplan plaatsgehad. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. De rechtbank heeft voorts op 22 september 2004 de vaststelling van het saneringsplan en de beëindiging van de schuldsaneringsregeling inhoudelijk behandeld.

Nadat de rechter-commissaris en de bewindvoerder terzake hun advies hadden uitgebracht, heeft de rechtbank bij vonnis van 29 september 2004, onder meer, de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsanering van kracht is, vastgesteld op 3 jaar te rekenen vanaf de dag van de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (derhalve tot 2 april 2004), het saneringsplan overigens vastgesteld overeenkomstig het in het proces-verbaal van de verificatievergadering opgenomen ontwerp, vastgesteld dat [verzoekster] in de nakoming van één of meer uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten, en de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd.

Tegen dit vonnis heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Ten behoeve van het hoger beroep heeft de bewindvoerder een verslag van 19 november 2004 inzake de schuldsaneringsregeling van [verzoekster] aan het hof doen toekomen. Na mondelinge behandeling op 23 november 2004 heeft het hof bij arrest van 7 december 2004 de uitspraak waarvan beroep bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.

(i) [Verzoekster] heeft de Italiaanse nationaliteit, woont sinds ruim twintig jaar in Nederland en is een alleenstaande moeder van twee kinderen.

(ii) [Verzoekster] volgde - ten tijde van de procedure in hoger beroep - een beroepsopleiding Sociale Hygiëne, naast welke opleiding zij sinds 1 juli 2002 als receptioniste bij een hotel parttime betaalde arbeid verrichtte.

(iii) In juni 2000 is [verzoekster] door de Franse autoriteiten aangehouden in verband met de invoer van LSD. Kort daarna is zij in vrijheid gesteld in afwachting van berechting door de Franse rechter.

(iv) Bij vonnis van 2 april 2001 heeft de rechtbank op verzoek van [verzoekster] de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van haar uitgesproken.

(v) In eerste aanleg is [verzoekster] door een rechtbank te Parijs op 28 juni 2001 tot een gevangenisstraf en een geldboete veroordeeld.

(vi) Bij onherroepelijk geworden arrest van 5 juni 2002 heeft het gerechtshof te Parijs [verzoekster] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar en het betalen van een boete van € 21.342,87. In verband met deze veroordeling heeft Frankrijk Nederland verzocht om de uitlevering van [verzoekster].

3.2 De rechtbank heeft in haar vonnis van 29 september 2004, toepassing gevende aan art. 354 lid 1 F., vastgesteld dat [verzoekster] in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten. Met deze vaststelling volgde de rechtbank het advies van de rechter-commissaris de schuldsaneringsregeling te beëindigen zonder het verlenen van een "schone lei". Zij heeft daartoe overwogen, kort samengevat, dat [verzoekster] als gevolg van haar strafrechtelijke veroordeling door het gerechtshof in Parijs een nieuwe bovenmatige schuld van € 22.000,-- heeft laten ontstaan en haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen aldus niet naar behoren is nagekomen. Mede gelet op de "extreme hoogte van de nieuwe schuld", doet hieraan naar het oordeel van de rechtbank niet af dat [verzoekster] zich gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling aan de overige verplichtingen heeft gehouden.

Het hof heeft het vonnis waarvan beroep bekrachtigd. Hetgeen het hof daartoe heeft overwogen (rov. 2.6), komt op het volgende neer. Niet aannemelijk is geworden dat [verzoekster] ter zitting van de rechtbank van 2 april 2001, waar haar verzoek te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling is behandeld, heeft medegedeeld dat zij in juni 2000 op verdenking van invoer van LSD in Frankrijk is aangehouden en in afwachting van haar berechting in Frankrijk op vrije voeten is gesteld. In elk geval is niet gebleken dat zij de bewindvoerder tijdig omtrent het (verdere) verloop van de strafvervolging heeft ingelicht. Zij is tijdens de loop van de schuldsaneringsregeling in Frankrijk tot een langdurige gevangenisstraf en een zeer aanzienlijke geldboete veroordeeld, zonder dat zij de bewindvoerder daaromtrent, zoals op haar weg had gelegen, aanstonds en volledig heeft ingelicht. Zulks levert een zodanig - verwijtbaar - tekortschieten in de voor haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen op, dat de rechtbank terecht de regeling heeft beëindigd zonder [verzoekster] de "schone lei" te verlenen. Daaraan doet niet af dat het strafbare feit waar het hier om gaat al vóór het van toepassing worden van de schuldsaneringsregeling is gepleegd.

3.3 Bij de beoordeling van het middel - dat uit drie onderdelen bestaat waarvan onderdeel 1 inleidende opmerkingen bevat - wordt het volgende vooropgesteld.

Naast de uit de wet voortvloeiende informatieplichten rust op de schuldenaar, tegen de achtergrond van de strekking van de schuldsaneringsregeling, een meer algemene verplichting tot het verschaffen van die inlichtingen waarvan de schuldenaar weet of behoort te begrijpen dat zij van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Het niet nakomen van deze verplichting kan aanleiding vormen tot de (tussentijdse) beëindiging van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 350 lid 3, aanhef en onder c, F., waarbij de rechter niet alleen de aard van de niet verstrekte inlichtingen maar ook de overige omstandigheden van het geval in aanmerking zal moeten nemen. Als maatstaf voor het antwoord op de vraag of grond bestaat tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling heeft te gelden of, in het licht van de overige omstandigheden van het geval, het niet verstrekken van de inlichtingen een duidelijke aanwijzing vormt dat bij de schuldenaar de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt (vgl. HR 15 februari 2002, R01/100, NJ 2002, 259, rov. 3.2.1 en 3.2.2).

Een en ander is ingevolge art. 354 lid 1 F. mede van belang voor de verlening van de "schone lei".

3.4.1 Onderdeel 2 bestrijdt het oordeel van het hof dat, kort gezegd, [verzoekster] is tekortgeschoten in de nakoming van haar informatieverplichting, als onjuist, althans onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd. Het klaagt dat het hof in rov. 2.6 "buiten de rechtsstrijd van partijen" is getreden door zijn beslissing te baseren op de schending van een informatieverplichting en het partijen heeft "verrast" door de schuldsaneringsregeling beëindigd te achten op grond van de niet-nakoming door [verzoekster] van deze informatieverplichting, nu die tekortkoming noch door de bewindvoerder noch door de rechter-commissaris aan de gevorderde beëindiging is ten grondslag gelegd en partijen daarover ook niet hebben gedebatteerd.

3.4.2 Voor zover het onderdeel ervan uitgaat dat in het onderhavige geval sprake is geweest van een "vordering" tot (tussentijdse) beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling, kan het bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het gaat immers in dit geval om een behandeling van de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling waarvan de termijn gedurende welke zij ten hoogste van kracht kan zijn, is verstreken, en waarbij de rechter op de voet van art. 354 lid 1 F. dient te onderzoeken of de schuldenaar in de nakoming van een of meer verplichtingen is tekortgeschoten en, zo ja, of de tekortkoming aan de schuldenaar kan worden toegerekend.

3.4.3 Het onderdeel mist eveneens feitelijke grondslag voor zover het betoogt dat in feitelijke aanleg niet is gedebatteerd over het niet verstrekken van informatie door [verzoekster] omtrent het door haar in Frankrijk begane strafbare feit.

Zowel de bewindvoerder als de rechter-commissaris heeft in de feitelijke instanties naar voren gebracht dat [verzoekster] (toerekenbaar) is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende informatieverplichting tegenover de rechtbank en de bewindvoerder. De bewindvoerder heeft in aanvulling op zijn verklaring ter verificatievergadering van 22 juli 2004, dat hij tot dusver niet op de hoogte was gesteld van de stand van zaken en de Franse advocaat van [verzoekster] hem geen informatie wilde verstrekken, bij brief aan de rechtbank van 3 augustus 2004 erop gewezen dat hem gebleken was dat zij "bij de toelatingszitting en gedurende het schuldsaneringstraject niet (volledig) open kaart heeft gespeeld ten aanzien van de consequenties van de strafrechtelijke procedure". De rechter-commissaris heeft in zijn verslag ten behoeve van de openbare terechtzitting op 4 augustus 2004 als bedoeld in art. 337 lid 1 F. de rechtbank geadviseerd geen schone lei te verlenen, onder meer op de grond dat [verzoekster] "bij de toepassing van schuldsaneringsregeling" niet heeft gemeld dat zij in Frankrijk een strafbaar feit had gepleegd.

Ook [verzoekster] zelf heeft zich in feitelijke instanties over de nakoming van haar informatieverplichting uitgelaten. In eerste aanleg heeft zij ter terechtzitting van de rechtbank op 22 september 2004 verklaard dat zij bij de "toelating [tot] de WSNP" melding heeft gemaakt van het "voorval dat tot de boete heeft geleid". Ter terechtzitting van het hof op 23 november 2004 heeft [verzoekster] bestreden dat zij heeft "verzwegen dat zij in Frankrijk strafrechtelijk werd vervolgd" en heeft zij, in overeenstemming met wat de bewindvoerder in het verslag van 19 november 2004 had bericht, gesteld dat zij bij het eerste intakegesprek had gemeld dat zij daar strafrechtelijk vervolgd zou gaan worden en dat daarvan al in het eerste openbare verslag melding werd gemaakt. De bewindvoerder heeft bij die gelegenheid de juistheid van deze stelling bevestigd.

3.5 Onderdeel 3 keert zich tegen het door het hof in rov. 2.6 gegeven oordeel dat [verzoekster] in de nakoming van haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen toerekenbaar is tekortgeschoten door de bewindvoerder niet over de inhoud van het Franse arrest in te lichten. Het strekt ten betoge dat [verzoekster] door toedoen van de ingevolge de schuldsaneringsregeling ingestelde "postblokkade" - waarmee het onderdeel kennelijk doelt op de aan de bewindvoerder gegeven last de aan [verzoekster] gerichte brieven te openen - daartoe niet in staat kon zijn geweest en klaagt dat het hof daarmee hetzij heeft miskend dat het niet nakomen van een verplichting in een "overmachtsituatie" geen toerekenbare tekortkoming in de zin van art. 354 F. oplevert hetzij zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd.

Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden. Een betoog van die strekking is in de feitelijke instanties niet gevoerd. Het kan niet voor het eerst in cassatie aan de orde komen, aangezien het een onderzoek van feitelijke aard vergt, waarvoor in cassatie geen plaats is.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, P.C. Kop, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 4 november 2005.