Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT5472

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-05-2005
Datum publicatie
13-05-2005
Zaaknummer
38608
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 67a AWR; § 21 BBBB; het meetellen van een eerder verzuim houdt niet in een beboeting terzake van ook dat verzuim.

Wetsverwijzingen
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 15, geldigheid: 2005-05-13
Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 23, geldigheid: 2005-05-13
Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 46, geldigheid: 2005-05-13
Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 21, geldigheid: 2005-05-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2005, 655 met annotatie van Schuver-Bravenboer
FutD 2005-0958
BNB 2005/214
Belastingadvies 2005/12.3
V-N 2005/26.5

Uitspraak

Nr. 38.608

13 mei 2005

wv

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 1 juli 2002, nr. 01/00482, betreffende na te melden boetebeschikking.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is gelijktijdig met de vaststelling van een aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1999 een boete van ƒ 150 wegens niet-tijdige aangifte opgelegd.

Belanghebbende is in haar bezwaar tegen de boetebeschikking bij uitspraak van de Inspecteur niet-ontvankelijk verklaard.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak op bezwaar vernietigd, belanghebbende alsnog ontvankelijk verklaard in haar bezwaar, het beroep in zoverre gegrond verklaard en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van de klacht

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende heeft haar aangiftebiljet betreffende de vennootschapsbelasting 1999 niet ingediend binnen de termijn die was gesteld in de medio juni 2000 verzonden aanmaning. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag vennootschapsbelasting heeft de Inspecteur aan belanghebbende een boete opgelegd van ƒ 150 wegens het niet tijdig doen van aangifte. Hij is daarbij uitgegaan van een tweede verzuim in de zin van paragraaf 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: BBBB 1998). Ook voor het jaar 1995 was de aangifte niet tijdig gedaan.

3.2. Paragraaf 46, lid 3, van het BBBB 1998 luidt: "Voor het bepalen van het aantal verzuimen als bedoeld in de paragrafen 21 en 23 van dit Besluit, worden mede in aanmerking genomen, de verzuimen die zijn begaan onder het oude recht." Belanghebbende herhaalt in cassatie haar eerder voor het Hof ingenomen stelling dat deze beleidsregel in strijd is met artikel 7, lid 1, EVRM en artikel 15, lid 1, IVBPR. Ingevolge die bepalingen mag geen zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was.

3.3. Het Hof heeft die stelling terecht verworpen, daar die stelling berust op een onjuiste opvatting. Dat een verzuim dat is begaan onder het oude recht meetelt voor de verzuimenreeks houdt, anders dan belanghebbende meent, niet in dat een boete voor een in een later jaar gepleegd verzuim deels is toe te rekenen aan het verzuim dat is begaan onder het oude recht. De aangevoerde klacht faalt derhalve.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2005.