Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT5467

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-06-2005
Datum publicatie
10-06-2005
Zaaknummer
C04/059HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT5467
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

10 juni 2005 Eerste Kamer Nr. C04/059HR JMH/RM Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, incidenteel verweerder, advocaat: mr. P.S. Kamminga, t e g e n [Verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, incidenteel eiser, advocaat: mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 166
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 353
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 355
JWB 2005/222
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 juni 2005

Eerste Kamer

Nr. C04/059HR

JMH/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie, incidenteel verweerder,

advocaat: mr. P.S. Kamminga,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie, incidenteel eiser,

advocaat: mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 26 april 1996 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de rechtbank te Breda en gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 183.225,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

[Verweerder] heeft de vordering bestreden en zijnerzijds (voorwaardelijk) in reconventie gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de overeenkomst tussen partijen van 22 oktober 1979 te vernietigen, althans die overeenkomst te ontbinden en aan die ontbinding terugwerkende kracht tot voormelde datum te verlenen.

[Eiser] heeft in (voorwaardelijke) reconventie de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 4 februari 1997 een comparitie van partijen gelast en bij tussenvonnis van 2 december 1997 in conventie een deskundigenonderzoek gelast, een deskundige benoemd, een aantal voorlopige vragen geformuleerd en de zaak naar de rol verwezen voor uitlating door partijen over de geformuleerde vragen en over eventueel nader te formuleren vragen. Bij tussenvonnis van 24 februari 1998 heeft de rechtbank nadere vragen geformuleerd. Na deskundigenbericht heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 20 april 1999 in conventie [verweerder] tot bewijslevering toegelaten. Na enquête heeft de rechtbank bij eindvonnis van 17 april 2001 in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie [verweerder] veroordeeld om aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 156.572,68, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 26 april 1996 tot de dag der algehele voldoening, [verweerder] in de proceskosten veroordeeld, dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen alle vijf vermelde vonnissen heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. [Eiser] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en daarbij zijn eis gewijzigd en zijn vordering in conventie vermeerderd tot een bedrag van ƒ 224.031,25 met wettelijke rente.

Bij tussenarrest van 14 januari 2003 heeft het hof in het principaal en incidenteel appel [verweerder] tot bewijslevering toegelaten. Na enquête heeft het hof bij eindarrest van 4 november 2003 [verweerder] niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen de tussenvonnissen van 2 december 1997 en 24 februari 1998 van voormelde rechtbank, de vonnissen van die rechtbank van 4 februari 1997, 20 april 1999 en 17 april 2001 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, het gevorderde alsnog afgewezen, en [eiser] in de proceskosten van beide instanties veroordeeld.

Beide arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen beide arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. [Verweerder] heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende het incidenteel beroep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt in het principaal beroep tot verwerping en in het incidenteel beroep tot vernietiging en verwijzing.

3. Beoordeling van het middel in het principale beroep

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

4.1 Het middel keert zich tegen de proceskosten-veroordeling van het hof en betoogt dat het onbegrijpelijk is dat het hof de verschuldigde proceskosten aan verschotten aan de zijde van [verweerder] in eerste aanleg heeft begroot op € 1.226,07. Het hof heeft volgens het middel een kennelijke misslag begaan door de kosten van de getuigenverhoren van 20 maart 2000 en het door [verweerder] betaalde deel van het deskundigenbericht buiten beschouwing te laten.

4.2 De klacht is gegrond voorzover deze betrekking heeft op de kosten van het door de rechtbank bevolen deskundigenbericht. Uit de in dit geding vaststaande feiten en de gegevens die in het middel zijn vermeld, valt geen andere conclusie te trekken dan dat het hof, [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten aan de zijde van [verweerder] veroordelend, de in eerste aanleg ten laste van [verweerder] gekomen verschotten heeft begroot op het vast recht van ƒ 1.590,--, vermeerderd met de kosten van het getuigenverhoor van 10 januari 2000 van ƒ 1.111,90, derhalve op ƒ 2.701,90 of € 1.226,07. Aldus heeft het hof het ten laste van [verweerder] gekomen deel van de kosten van het deskundigenbericht klaarblijkelijk over het hoofd gezien.

4.3 De klacht is evenwel ongegrond voorzover deze betrekking heeft op de ƒ 624,-- bedragende kosten van de getuigenverhoren van 20 maart 2000, aangezien het hier blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal gaat om het tegengetuigenverhoor aan de zijde van [eiser], zodat de kosten daarvan niet aan de zijde van [verweerder] zijn gevallen.

4.4 Nu het bedrag van het door het hof over het hoofd geziene deel van de kosten van het deskundigenbericht ten bedrage van ƒ 4.406,25 (€ 1.999,47) en het bedrag van de door het hof wel toegewezen verschotten tussen partijen niet in geschil zijn, kan de Hoge Raad zelf de zaak afdoen door met vernietiging van het bestreden arrest in zoverre, het bedrag van de aan de zijde van [verweerder] gevallen verschotten met het genoemde bedrag van € 1.999,47 te verhogen.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 1.159,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris,

in het incidentele beroep:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 4 november 2003, doch uitsluitend voorzover het hof de aan de zijde van [verweerder] in eerste instantie gevallen verschotten heeft bepaald op € 1.226,07;

bepaalt het bedrag van de aan de zijde van [verweerder] in eerste instantie gevallen verschotten op € 3.225,54;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren D.H. Beukenhorst, als voorzitter, O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 10 juni 2005.