Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT5240

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-05-2005
Datum publicatie
10-05-2005
Zaaknummer
00314/05 H
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herzieningsaanvrage. Ex art. 2.1 WAM is de kentekenhouder verzekeringsplichtig zolang aan hem een kenteken voor een motorrijtuig is opgegeven en de geldigheid van het kentekenbewijs niet op aanvraag van hem door de Dienst Wegverkeer is geschorst ex art. 67.1 WVW 1994 (HR NJ 2001, 380). De enkele omstandigheid dat het motorrijtuig is verkocht, doet de verzekeringsplicht niet eindigen. Tot een ander oordeel dwingt evenmin de beschikking van de Inspecteur der Belastingdienst/Centraal bureau motorrijtuigenbelasting, inhoudende dat aanvrager m.i.v. de datum van verkoop niet meer wordt aangemerkt als houder van het motorrijtuig, waarmee klaarblijkelijk slechts is beoogd tot uitdrukking te brengen dat hij niet meer wordt aangemerkt als houder in de zin van de WMB. Aangezien het houderschap in de zin van de WMB niet in alle gevallen samenvalt met het kentekenhouderschap van de WAM, is met die enkele beslissing niet gezegd dat hij t.t.v. het bewezenverklaarde feit tevens geen kentekenhouder in de zin van de WAM meer was en derhalve geen verzekeringsplicht meer had. Waarom hij niettemin toch niet als kentekenhouder kon worden aangemerkt, heeft aanvrager niet verder onderbouwd (HR LJN AD9219).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 457
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2005, 222
JWR 2005/46
NBSTRAF 2005/222
JOL 2005, 277
VR 2005, 95
Module Verkeer 2005/262
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 mei 2005

Strafkamer

nr. 00314/05 H

ABG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 mei 2004, nummer 20/000394-04, ingediend door:

[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, wonende te [woonplaats].

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Gerechtshof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Kantonrechter te Maastricht - de aanvrager ter zake van "als degene aan wie het kenteken is opgegeven voor een motorrijtuig waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen sluiten en in stand houden", gepleegd op 21 augustus 2002, veroordeeld tot een geldboete van € 346,-, subsidiair zes dagen hechtenis.

2. De aanvrage tot herziening

De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de aanvrage

3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

3.2. In de aanvrage is als omstandigheid aangevoerd dat de aanvrager het motorrijtuig met het kenteken [AA-00-AA] op 12 juli 2002 heeft verkocht en sedertdien niet meer in zijn bezit heeft en dat hem bij brief van de Inspecteur der Belastingdienst/Centraal bureau motorrijtuigenbelasting van 1 november 2004 is medegedeeld dat hij met ingang van 12 juli 2002 niet meer als houder van het motorrijtuig met het kenteken [AA-00-AA] wordt aangemerkt, zodat, naar aanvrager kennelijk bedoelt te stellen, hij met ingang van diezelfde datum voor bedoeld motorrijtuig niet verzekeringsplichtig was.

3.3. Die omstandigheid kan echter niet een ernstig vermoeden wekken als hiervoor onder 3.1 vermeld. Immers, ingevolge art. 2, eerste lid, WAM is de kentekenhouder verzekeringsplichtig zolang aan hem een kenteken voor een motorrijtuig is opgegeven en de geldigheid van het kentekenbewijs niet op aanvraag van hem door de Dienst Wegverkeer is geschorst overeenkomstig art. 67, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994 (vgl. HR 27 maart 2001, NJ 2001, 380). De enkele omstandigheid dat het motorrijtuig is verkocht, doet de verzekeringsplicht dan ook niet eindigen.

3.4. Tot een ander oordeel dwingt evenmin de overgelegde beschikking van de Inspecteur der Belastindienst/Centraal bureau motorrijtuigenbelasting van 1 november 2004, inhoudende dat de aanvrager met ingang van 12 juli 2002 niet meer wordt aangemerkt als houder van het desbetreffende motorrijtuig, waarmee klaarblijkelijk slechts is beoogd tot uitdrukking te brengen dat hij niet meer wordt aangemerkt als houder in de zin van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (verder: WMB). Aangezien het houderschap in de zin van de WMB niet in alle gevallen samenvalt met het kentekenhouderschap in de zin van de WAM, is met die enkele beslissing immers niet gezegd dat hij ten tijde van het bewezenverklaarde feit tevens geen kentekenhouder in de zin van de WAM meer was en derhalve geen verzekeringsplicht meer had. Waarom hij niettemin toch niet op 21 augustus 2002 als kentekenhouder kon worden aangemerkt, heeft de aanvrager niet verder onderbouwd (vgl. HR 12 februari 2002, LJN AD9219).

3.5. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aanvrage kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 10 mei 2005.

Mr. De Hullu is buiten staat dit arrest te ondertekenen.