Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT5158

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-09-2005
Datum publicatie
09-09-2005
Zaaknummer
C04/192HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT5158
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

9 september 2005 Eerste Kamer Nr. C04/192HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/NOORD HOLLAND, KANTOOR HOORN, voorheen de Ontvanger van de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen Hoorn, kantoorhoudende te Hoorn, VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. J. Schenck. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Invorderingswet 1990 34
Wet financiering volksverzekeringen 16
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 475
JWB 2005/298
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 september 2005

Eerste Kamer

Nr. C04/192HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/NOORD HOLLAND, KANTOOR HOORN, voorheen de Ontvanger van de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen Hoorn,

kantoorhoudende te Hoorn,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. J. Schenck.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: de Ontvanger - heeft bij exploot van 22 september 2000 eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - gedagvaard voor de rechtbank te Alkmaar en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat [eiseres] primair op grond van art. 34 van de Invorderingswet 1990 (hierna Iw), subsidiair op grond van art. 35 Iw aansprakelijk is voor de onder 1 van de in het lichaam van de dagvaarding bedoelde naheffingaanslagen, voor zover zij daarvoor bij beschikking van 16 juni 2000 aansprakelijk is gesteld, verhoogd met invorderingsrente vanaf 31 maart 1998 tot de dag der algehele voldoening.

[Eiseres] heeft de vordering bestreden.

Bij conclusie van repliek heeft de Ontvanger de subsidiaire grondslag van zijn eis, de aansprakelijkheid op grond van art. 35 Iw, ingetrokken.

De rechtbank heeft bij vonnis van 11 juli 2002 de vordering van de Ontvanger toegewezen.

Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 18 december 2003 heeft het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het anticipatie-exploot zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Ontvanger heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Ontvanger begroot op € 359,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, D.H. Beukenhorst en A.M.J. van Buchem-Spapens, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 9 september 2005.