Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT4483

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-04-2005
Datum publicatie
22-04-2005
Zaaknummer
38699
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT4483
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 6, lid 1 EVRM. Overschrijding redelijke termijn? Vermindering boete bij overschrijding redelijke termijn? Artikel 29, lid 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Omkering bewijslast. Redelijke schatting verzwegen omzet / loon.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 21
Algemene wet inzake rijksbelastingen 29
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2005/101 met annotatie van O.C.R. MARRES
WFR 2005/647
V-N 2005/22.3 met annotatie van Redactie
FutD 2005-0800
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 38.699

22 april 2005

EC

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 6 juni 2002, nr. BK-00/00916, betreffende na te melden aan X B.V. te Z opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1989 tot en met 31 december 1989 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van ƒ 469.699, met een verhoging van de nageheven belasting van 100 percent, van welke verhoging de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag geen kwijtschelding heeft verleend. De naheffingsaanslag en de beschikking inzake de verhoging zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij gezamenlijke uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak vernietigd en de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 33.761 (ƒ 74.400) zonder verhoging. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 27 februari 2004 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het onder V voorgestelde middel, vernietiging van de uitspraak van het Hof en verwijzing van de zaak.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - geoordeeld dat de administratie van belanghebbende geen deugdelijke grondslag vormt voor het bepalen van de fiscale verplichtingen en dat het dientengevolge ervoor moet worden gehouden dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan, zodat, gelet op artikel 29, lid 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de uitspraak waarvan beroep casu quo de naheffingsaanslag moet worden gevolgd, tenzij blijkt dat en, zo ja, in hoeverre te veel belasting is nageheven.

3.2. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat uit al hetgeen aan gegevens daaromtrent voorhanden is blijkt dat wat betreft de niet-nagekomen verplichtingen op het terrein van de loonbelasting belanghebbende uitsluitend aan het in haar administratie voorkomende personeel meer loon heeft uitgekeerd dan is verantwoord, waarbij sprake is van uitbetaald nettoloon, en dat overigens van zwart werk geen sprake is geweest, en dat dit niet anders betekent dan dat, hetgeen ook door de Inspecteur is erkend, te veel loonbelasting is nageheven, waarbij ervan moet worden uitgegaan, gelet ook op de door de Inspecteur in zijn verweerschrift gegeven uiteenzetting ter zake van het niet-verantwoorde loon, dat het een verhoudingsgewijs aanzienlijk bedrag aan belasting betreft.

3.3. Het Hof heeft, aangezien partijen op beide zittingen desgevraagd te kennen hebben gegeven niet te weten tot welk bedrag de naheffingsaanslag, zo inderdaad te veel belasting is geheven, te hoog is opgelegd, de hoogte van de naar 's Hofs oordeel te veel nageheven belasting in goede justitie vastgesteld en geoordeeld dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot een bedrag van ƒ 74.400 aan belasting.

3.4. Middel I kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.5. Middel III, dat betoogt dat het Hof het bepaalde in artikel 29, lid 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen heeft geschonden doordat het Hof in goede justitie de aanslag heeft verminderd, terwijl belanghebbende niet heeft doen blijken dat de aanslag te hoog was, en de middelen II en IV, die zich met motiveringsklachten richten tegen de hiervóór onder 3.2 en 3.3 weergegeven oordelen van het Hof, falen evenzeer. Een aanslag mag niet naar willekeur worden vastgesteld, maar moet berusten op een redelijke schatting (vgl. HR 29 september 1993, nr. 28400, BNB 1993/330). Met zijn onder 3.2 weergegeven oordeel heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de schatting van de Inspecteur van de te weinig afgedragen loonbelasting niet redelijk is in evenvermelde zin, zodat de aanslag naar willekeur is vastgesteld. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Nu partijen voorts op beide zittingen desgevraagd te kennen hebben gegeven niet te weten tot welk bedrag de naheffingsaanslag, zo inderdaad te veel belasting is nageheven, te hoog is opgelegd, mocht het Hof zelf op grond van hetgeen in het geding was komen vast te staan, een redelijke schatting daarvan maken. 's Hofs schatting berust kennelijk op een schatting van de bedragen die zijn gemoeid met het hiervóór in 3.2 bedoelde meer uitgekeerde loon, welke schatting als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden.

3.6. Het Hof heeft met betrekking tot de verhoging geoordeeld dat het tijdsverloop tussen het moment waarop belanghebbende in redelijkheid heeft kunnen opmaken dat de Inspecteur een verhoging zal opleggen, in casu op of omstreeks 4 juli 1994, en de datum van 's Hofs uitspraak zodanig lang is dat deze een volledige kwijtschelding van de verhoging, die overigens terecht is opgelegd, rechtvaardigt. Het Hof heeft hiervoor redengevend geoordeeld dat de Inspecteur van zijn kant onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan daarover anders moet worden geoordeeld, dat het de door de Inspecteur in zijn verweerschrift gegeven verklaring voor de zeer lange duur van de bezwaarfase, in casu ruim vijf jaar, niet zonder meer overtuigend acht, en dat ook overigens niet van feiten en omstandigheden is gebleken die de aanzienlijke overschrijding van de voor de procedurele behandeling van een zaak als deze redelijk te achten termijn rechtvaardigen.

3.7. Het tegen het laatstvermelde oordeel gerichte middel V slaagt op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverweging 3.7 van het heden in de zaak met nummer 38693 tussen dezelfde partijen uitgesproken arrest van de Hoge Raad.

's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof voorzover betrekking hebbende op de verhoging, en

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, de vice-president A.G. Pos en de raadsheren P.J. van Amersfoort, P. Lourens, en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2005.