Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT4468

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-04-2005
Datum publicatie
22-04-2005
Zaaknummer
38257
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 1 meststoffenwet. Tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond. Mondelinge pachtovereenkomst.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet 1
Meststoffenwet 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2005/577
BNB 2005/189
BNB 2005/337 met annotatie van M.W.C. FETERIS
FED 2005/110 met annotatie van O.C.R. MARRES
WFR 2005/644
WFR 2005/644, 1
V-N 2005/23.21 met annotatie van Redactie
V-N 2005/22.6 met annotatie van Redactie
FutD 2005-0801
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 38.257

22 april 2005

BK

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 29 maart 2002, nr. BK-01/00415, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de overschotheffing.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1988 een naheffingsaanslag in de overschotheffing op grond van de Meststoffenwet opgelegd ten bedrage van ƒ 996,10, welke naheffingsaanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de inspecteur van het Bureau Heffingen van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de Inspecteur) is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de Minister) heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Minister heeft een conclusie van dupliek ingediend.

3. Beoordeling van de klacht

Belanghebbende klaagt in cassatie dat het Hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling van de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag overschotheffing en betoogt dat bij de berekening van de verschuldigde overschotheffing mede in aanmerking moeten worden genomen de percelen die belanghebbende, bij mondelinge en niet door de grondkamer goedgekeurde overeenkomsten, heeft gepacht.

De klacht faalt. Onder de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond die voor de toepassing van artikel 13, lid 4, van de Meststoffenwet (in de voor het jaar 1988 geldende tekst) bij de berekening van de overschotheffing in aanmerking moet worden genomen, dient te worden verstaan de in artikel 1 van die wet aangewezen grond. Aldaar wordt aangewezen, voorzover in deze van belang, landbouwgrond die tot het bedrijf behoort ingevolge een door de grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst. De door belanghebbende gehuldigde opvatting dat doel en strekking van deze bepaling meebrengen dat de eis van de goedkeuring door de grondkamer in het geval van belanghebbende niet geldt, is onjuist. Terecht heeft het Hof dan ook geoordeeld dat de door belanghebbende gepachte grond bij de berekening van de overschotheffing niet kan worden aangemerkt als tot het bedrijf van belanghebbende behorende landbouwgrond.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en J.C. van Oven, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2005.