Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT4426

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-06-2005
Datum publicatie
30-06-2005
Zaaknummer
03665/04
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT4426
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaard is dat verdachte inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van "een ander of anderen". In de bewijsmiddelen heeft het hof vastgesteld dat X rechthebbende is op dat auteursrecht en dat verdachte zonder diens toestemming heeft gehandeld. Omtrent andere rechthebbenden houden de bewijsmiddelen niets in. Met een en ander is niet verenigbaar 's Hofs oordeel aangaande de vordering van de benadeelde partij X dat "de vraag of X auteursrechthebbende is in dit strafgeding niet voldoende duidelijk beantwoord kan worden".

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 51a
Wetboek van Strafvordering 361
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 408
NJ 2005, 409
NBSTRAF 2005/292
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 juni 2005

Strafkamer

nr. 03665/04

PB/ABG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 28 januari 2004, nummer 21/002845-03, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Zutphen van 18 juni 2003 - de verdachte ter zake van primair "het medeplegen van: het plegen van de misdrijven, als bedoeld in de artikelen 31 en 31a van de Auteurswet 1912, als bedrijf uitoefenen; meermalen gepleegd" en "het medeplegen van: een voorwerp waarvan hij redelijkerwijs kan vermoeden dat daarin met inbreuk op eens anders auteursrecht een werk is vervat, openlijk ter verspreiding aanbieden, ter verveelvoudiging aanbieden en ter verspreiding voorhanden hebben en bewaren uit winstbejag; meermalen gepleegd" veroordeeld tot een geldboete van € 2.500,-, subsidiair 50 dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

1.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte.

Namens deze hebben mr. A.M.F. van Veghel en mr. W.A.J. Hoorneman, advocaten te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot het verbinden daaraan van het gevolg dat de Hoge Raad in het kader van art. 440 Sv gepast voorkomt.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel klaagt dat de motivering van de bewezenverklaring niet verenigbaar is met hetgeen het Hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft overwogen.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2001 tot 1 januari 2002 in de gemeenten Gorssel en Zutphen, tezamen en in vereniging met anderen, het plegen van de misdrijven als bedoeld in artikel 31 en 31 a van de Auteurswet 1912 als bedrijf heeft uitgeoefend, immers hebben verdachte en zijn mededaders toen daar bedrijfsmatig - namelijk op grote schaal en gedurende langere tijd - telkens opzettelijk inbreuk gemaakt op het auteursrecht van een ander of anderen door (telkens) zonder toestemming van de rechthebbende(n) een computerprogramma speciaal ontworpen en ontwikkeld voor de aansturing van electronische ventielen, die bestemd waren voor de reiniging van zogenaamde melkklauwen van melkmachines met water, lucht en reinigingsmiddelen te doen kopiëren en telkens opzettelijk software, waarop telkens met inbreuk op het auteursrecht van een ander of anderen een werk, te weten een computerprogramma, speciaal ontworpen en ontwikkeld voor de aansturing van electronische ventielen, die bestemd waren voor de reiniging van zogenaamde melkklauwen van melkmachines met water, lucht en reinigingsmiddelen, was vervat, openlijk ter verspreiding aangeboden en ter verveelvoudiging en ter verspreiding voorhanden gehad en bewaard uit winstbejag."

3.3. De bewezenverklaring steunt onder meer op een tegenover de politie afgelegde verklaring van de aangever [de benadeelde partij] (bewijsmiddel 3), welke kort gezegd inhoudt:

- dat hij auteursrechthebbende is op door hem ontwikkelde software, die geprogrammeerd in PIC 16 microprocessors wordt toegepast voor een melkklauwspoelinstallatie in een zogenaamde melkstraat in de veehouderij;

- dat hij die software heeft geleverd aan de verdachte onder verband van zijn algemene leveringsvoorwaarden, inhoudende dat het auteursrecht op de software uitdrukkelijk aan hem ([de benadeelde partij]) is voorbehouden en

- dat hij heeft moeten constateren dat zonder zijn toestemming inbreuk op zijn auteursrecht is gemaakt.

3.4. Het Hof heeft bij de beslissing op de vordering van de benadeelde partij onder meer overwogen:

"Het hof zal de benadeelde partij [...] niet ontvankelijk verklaren in haar vordering omdat de vraag of [de benadeelde partij] auteursrechthebbende is en daarmee de vraag of hij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen schade heeft geleden in dit strafgeding niet voldoende duidelijk beantwoord kan worden."

3.5. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld dat [de benadeelde partij] de rechthebbende is op het in de bewezenverklaring genoemde auteursrecht en dat de verdachte zonder diens toestemming heeft gehandeld. Omtrent mogelijke andere rechthebbenden houden die bewijsmiddelen niets in.

Met een en ander is niet verenigbaar 's Hofs in het verband van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij gegeven oordeel dat "de vraag of [de benadeelde partij] auteursrechthebbende is (...) in dit strafgeding niet voldoende duidelijk beantwoord kan worden".

In dit opzicht is de bestreden uitspraak innerlijk tegenstrijdig, zodat zij niet in stand kan blijven.

3.6. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Beoordeling van het vierde middel

4.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

4.2. De verdachte heeft op 4 februari 2004 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 31 december 2004 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen.

Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Het middel is dus terecht voorgesteld. De rechter naar wie de zaak zal worden teruggewezen zal in geval van strafoplegging die overschrijding daarbij dienen te betrekken.

5. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier M.T.E. van Huut, en uitgesproken op 28 juni 2005.