Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT4193

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-04-2005
Datum publicatie
19-07-2007
Zaaknummer
00360/05 H
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 april 2005

Strafkamer

nr. 00360/05 H

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van a. een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 29 december 1997, nummer 21/000944-97, en b. een arrest van de Hoge Raad, nummer 108.960 van 18 mei 1999, ingediend door mr. L. van Heijningen, advocaat te 's-Gravenhage namens:

[Aanvraagster], wonende te [woonplaats], weduwe van [betrokkene 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1934, overleden te 's-Gravenhage op 9 juni 2002, inzake een tegen deze uitgesproken, hierna te vermelden, veroordeling.

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Zwolle van 28 maart 1997 - [betrokkene 1] ter zake van 1. "het medeplegen van het in het openbaar, mondeling, aanzetten tot discriminatie van mensen wegens hun ras" veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een geldboete van ƒ 7.500,-, subsidiair zeventig dagen hechtenis.

1.2. De Hoge Raad heeft bij arrest van 18 mei 1999, nummer 108.960, het tegen het arrest van het Hof ingestelde beroep in cassatie verworpen.

2. De aanvrage tot herziening

De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de aanvrage

3.1. Voorzover in de aanvrage is verzocht om "voorzover nodig en mogelijk" herziening van het arrest van de Hoge Raad, kan de aanvrage niet worden ontvangen, omdat dit arrest niet is een einduitspraak houdende veroordeling in de zin van art. 457, eerste lid, Sv.

3.2. Voorzover de aanvrage het arrest van het Gerechtshof te Arnhem betreft, kan de aanvrage niet worden ontvangen omdat deze steunt op naar hun aard dezelfde gronden die reeds bij de beoordeling van eerdere aanvragen tot herziening - te weten bij de arresten van de Hoge Raad van 9 april 2002 (nr. 02676/01 H), van 6 mei 2003 (nr. 2722/02 H) en van 23 september 2003 (nr. 01343/03 H) - ongenoegzaam zijn geoordeeld omdat deze geen nieuwe omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid, aanhef en onder 2° Sv opleveren.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 12 april 2005.