Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT4073

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-07-2005
Datum publicatie
08-07-2005
Zaaknummer
C04/152HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT4073
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

8 juli 2005 Eerste Kamer Nr. C04/152HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres], wonende te [woonplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. H.L. van Lookeren Campagne, t e g e n DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/RIVIERENLAND, voorheen de Ontvanger van de Belastingdienst/Ondernemingen Gorinchem, kantoorhoudende te Gorinchem, VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. M.J. Schenck. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 429
JWB 2005/264

Uitspraak

8 juli 2005

Eerste Kamer

Nr. C04/152HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres],

wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. H.L. van Lookeren Campagne,

t e g e n

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/RIVIERENLAND, voorheen de Ontvanger van de Belastingdienst/Ondernemingen Gorinchem,

kantoorhoudende te Gorinchem,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. M.J. Schenck.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: de Ontvanger - heeft bij exploot van 6 maart 2000 [betrokkene 1] en eiseres tot cassatie - verder afzonderlijk te noemen: [betrokkene 1] en [eiseres] dan wel gezamenlijk [eiseres] c.s. - gedagvaard voor de rechtbank te Zwolle en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiseres] c.s. hoofdelijk te veroordelen aan de Ontvanger te betalen een bedrag van ƒ 54.848,--, vermeerderd met de invorderingsrente over ƒ 36.628,-- vanaf 11 februari 1995 en over ƒ 18.220,-- vanaf 12 april 1995 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van hen in de kosten van het geding, die van het conservatoir beslag daaronder begrepen.

[Eiseres] c.s. hebben de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 13 december 2000 de geldvordering van de Ontvanger toegewezen en [eiseres] c.s. in de proceskosten van de Ontvanger veroordeeld.

Tegen dit vonnis hebben [eiseres] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.

De Ontvanger heeft bij memorie van antwoord de gronden van zijn eis vermeerderd.

Bij arrest van 16 december 2003 heeft het hof het vonnis van de rechtbank wat betreft de veroordeling van [betrokkene 1] en wat betreft de kostenveroordeling vernietigd en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de vordering tegen [betrokkene 1] afgewezen, de proceskosten in eerste instantie tussen partijen gecompenseerd, het vonnis voor het overige bekrachtigd, en de proceskosten van het hoger beroep tussen partijen gecompenseerd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Ontvanger heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor de Ontvanger mede door mr. F. Damsteegt, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging en verwijzing.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 Voor de feiten en het verloop van deze procedure verwijst de Hoge Raad naar de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1-1.14 en naar het hiervoor onder 1 overwogene.

3.2 De in de middelen I en II aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.3 Middel III komt op tegen rov. 4.12 van het arrest waar het hof het volgende heeft overwogen:

"De vijfde grief keert zich tegen het voorbijgaan door de rechtbank aan de stelling van [eiseres] c.s. dat de loonheffingen van 1991 tot en met 1995 door de besloten vennootschap [A] zijn betaald. De grief faalt. [Eiseres] c.s. hebben erkend dat VDC in de jaren 1991 en 1992 loonbelasting heeft ingehouden voor haar werknemer [eiseres], maar zij hebben niet gesteld, en evenmin te bewijzen aangeboden, dat [A] de door VDC ingehouden, althans de door VDC te betalen, loonbelasting heeft voldaan. Dit klemt te meer waar [eiseres] ook bij [A] loon genoot, zodat de enkele omstandigheid dat [A] voor [eiseres] loonbelasting afdroeg geen afdoende aanwijzing vormt dat [A] de door VDC ingehouden, althans de door VDC te betalen, loonbelasting heeft voldaan."

3.4 Het middel houdt de klacht in dat [eiseres] wel degelijk bewijs heeft aangeboden van de stelling dat [A] B.V. (verder: [A]) de door VDC ingehouden loonbelasting heeft voldaan. Deze klacht slaagt. In eerste aanleg hebben [eiseres] c.s. in hun conclusie van dupliek (blz. 2-3) gesteld - kort samengevat - dat de aanvankelijk op VDC rustende werkgeversverplichtingen nadien zijn overgenomen door [A], die de loonvorderingen vervolgens over de jaren 1991 tot en met 1995 heeft voldaan en bovendien de daarop betrekking hebbende aangiften heeft ingediend en de heffingen heeft voldaan. Daarbij hebben [eiseres] c.s. van deze stelling uitdrukkelijk bewijs aangeboden door alle middelen rechtens doch meer in het bijzonder door middel van overlegging van delen van haar administratie. In hoger beroep hebben [eiseres] c.s. hun stelling en bewijsaanbod herhaald in de vijfde grief, die was gericht tegen rov. 4.7 van het beroepen vonnis waar de rechtbank deze stelling in het midden had gelaten en dat bewijsaanbod als niet terzake doende had gepasseerd; volgens [eiseres] c.s. kan het niet de bedoeling zijn dat dubbel wordt betaald. In het licht van dit een en ander is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat [eiseres] c.s. niet hebben gesteld en evenmin te bewijzen hebben aangeboden dat [A] de door VDC ingehouden, althans de door VDC te betalen, loonbelasting heeft voldaan.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 16 december 2003;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de Ontvanger in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 976,23 aan verschotten en op € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman, W.A.M. van Schendel en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 8 juli 2005.