Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT3654

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-10-2005
Datum publicatie
12-10-2005
Zaaknummer
02249/04 P
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT3654
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Andere strafbare feiten ex art. 36e.3 Sr. Uit art. 36e Sr jo. art. 511.1 Sv volgt dat een ontnemingsvordering n.a.v. een veroordeling a.b.i. art. 36e.1 en 3 moet worden ingesteld binnen twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg. Daarmee is niet verenigbaar dat in een geval als het onderhavige, waarin na een eerdere veroordeling een ontnemingsvordering t.z.v. de feiten waarop die veroordeling betrekking had, binnen genoemde termijn is uitgebleven, die feiten alsnog n.a.v. een latere veroordeling als “andere strafbare feiten” ex art. 36e.3 Sr tot voorwerp van ontneming kunnen worden gemaakt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 36e
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 511b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 580
NJ 2006, 626
JOW 2006, 11
NBSTRAF 2005/407
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 oktober 2005

Strafkamer

nr. 02249/04 P

AGJ/DAT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 19 december 2003, nummer 21/000098-03, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Rechtbank te Zutphen van 27 februari 2002 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 233.296,-.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. J. Piena, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het eerste en het tweede middel

3.1. De middelen bevatten in de kern de klacht dat het Hof bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten onrechte het voordeel heeft betrokken dat is verkregen door feiten ter zake waarvan de betrokkene door de Rechtbank te Breda bij vonnis van 29 juni 1998 was veroordeeld en ter zake waarvan geen ontnemingsvordering is gevolgd.

3.2. Het gaat in deze zaak om het volgende. Het bestreden arrest is gewezen naar aanleiding van een door de Officier van Justitie bij de Rechtbank te Zutphen ingediende ontnemingsvordering. Die vordering was gebaseerd op art. 36e, derde lid, Sr naar aanleiding van een ten laste van de verdachte gewezen vonnis van genoemde Rechtbank van 11 juli 2001.

Blijkens de bestreden uitspraak heeft het Hof bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel mede het voordeel in aanmerking genomen dat door de betrokkene is verkregen uit feiten ter zake waarvan hij bij vonnis van de Rechtbank te Breda van 29 juni 1998 was veroordeeld.

In hoger beroep is namens de betrokkene aangevoerd dat het Openbaar Ministerie in zijn vordering voorzover betrekking hebbend op laatstgenoemde feiten niet-ontvankelijk diende te worden verklaard omdat de Officier van Justitie te Breda ter zake van die feiten geen ontnemingsvordering heeft gedaan.

Het Hof heeft dat verweer verworpen en heeft daartoe overwogen:

"Nu geen bijzondere omstandigheden zijn komen vast te staan staat het enkele feit dat - kort gezegd - in de Bredase zaak geen ontnemingsvordering werd ingesteld niet in de weg aan het thans betrekken van het in dat kader/feitencomplex gestelde genoten wederrechtelijk genoten voordeel."

3.3.1. Art. 36e Sr luidt, voorzover hier van belang:

"1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

2. De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde strafbare feit of soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan.

3. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, en tegen wie als verdachte van dat misdrijf een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien gelet op dat onderzoek aannemelijk is dat ook dat feit of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen."

3.3.2. Art. 511b, eerste lid, Sv luidt, voorzover hier van belang:

"Een vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt zo spoedig mogelijk doch uiterlijk twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg bij de rechtbank aanhangig gemaakt."

3.4.1. Het Hof heeft bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel de feiten waarvoor de betrokkene door de Rechtbank te Breda was veroordeeld klaarblijkelijk aangemerkt als "andere strafbare feiten" als bedoeld in art. 36e, derde lid, Sr.

3.4.2. Uit het onder 3.3 genoemde samenstel van bepalingen volgt dat een ontnemingsvordering naar aanleiding van een veroordeling als bedoeld in het eerste dan wel het derde lid van art. 36e Sr moet worden ingesteld binnen twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg.

Daarmee is niet verenigbaar dat in een geval als het onderhavige, waarin na een eerdere veroordeling een ontnemingsvordering ter zake van de feiten waarop die veroordeling betrekking had, binnen genoemde termijn is uitgebleven, die feiten alsnog naar aanleiding van een latere veroordeling als "andere strafbare feiten" in de zin van art. 36e, derde lid, Sr, tot voorwerp van ontneming kunnen worden gemaakt. Het andersluidende oordeel van het Hof geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

3.5. De middelen zijn dus terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het derde middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, J.P. Balkema, W.M.E. Thomassen en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 11 oktober 2005.