Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT3569

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-06-2005
Datum publicatie
21-06-2005
Zaaknummer
01963/04
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT3569
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onjuiste aangifte vennootschapsbelasting. 1. ’s Hofs uitleg van het begrip “ontdoken belasting” a.b.i. de Richtlijnen aanmelding, transactie en vervolging fiscale delicten en douanedelicten – mede belasting die te weinig zou zijn geheven indien de onjuiste aangifte door de belastingdienst (ten onrechte) zou zijn gevolgd – is juist. 2. Het hof heeft het verweer kennelijk en niet onbegrijpelijk aldus opgevat dat het zich toespitste op de stelling dat geen belasting was “ontdoken” in de zin van de Richtlijnen en dat het niet tevens ten betoge strekte, dat indien van zodanige ontduiking wel sprake zou zijn, het ontdoken bedrag beneden de fl. 25.000 lag en/of dat sprake was van het vereise aantal prioriteitspunten. In cassatie kan e.e.a niet voor het eerst worden aangevoerd. 3. Het middel dat is gericht tegen de verwerping door het hof dat art. 69.4 AWR aan vervolging in de weg staat, faalt op de gronden uiteengezet in de conclusie van de A-G, inhoudende dat het bepaalde in art. 69.4 AWR niet van toepassing is op het tenlastegelegde feit aangezien dat betrekking heeft op een tijdvak dat ligt vóór de inwerkingtreding van de Invoeringswet bestuurlijke boeten (Stb. 1997, 737) op 1-1-98.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 400
FutD 2005-1290
NTFR 2005/884 met annotatie van MR. E. THOMAS
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 juni 2005

Strafkamer

nr. 01963/04

EC/AG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 4 februari 2004, nummer 20/002160-02, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1943, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Breda van 4 april 2002 - de verdachte ter zake van 1. primair: "opzettelijk gebruik maken van het valse of vervalste geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht, als het ware het echt en onvervalst, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tot het feit opdracht heeft gegeven of feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging" en 2. primair: "opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, indien daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tot het feit opdracht heeft gegeven of feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging" veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van tweehonderd uren in plaats van vijf maanden gevangenisstraf alsmede tot drie maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van

twee jaar.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.J. van Hagen, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak met verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande beroep te worden berecht en afgedaan. De conclusie is voorzover voor de bespreking van de middelen van belang aan dit arrest gehecht.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel richt zich tegen 's Hofs verwerping van het ter terechtzitting van het Hof gevoerde verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging. Meer in het bijzonder klaagt het middel dat het Hof een verkeerde uitleg heeft gegeven aan het begrip "ontdoken belasting" als bedoeld in de Richtlijnen aanmelding, transactie en vervolging fiscale delicten en doaunedelicten van 13 april 1993, nr. AFZ93/2858, Stcrt. 1993, 75 (hierna: de Richtlijnen).

3.2.1. Paragraaf 7 van de Richtlijnen luidt, voorzover hier van belang, aldus:

"2.Een onderneming komt eerst voor strafrechtelijke vervolging in aanmerking, indien de ontdoken belasting gedurende de onderzoeksperiode ƒ 25.000 of meer bedraagt en de zaak ten minste drie punten krijgt krachtens de lijst prioriteitsbepaling."

3.2.2. In paragraaf 2 van de Richtlijnen is het begrip "ontdoken belasting" aldus omschreven:

"Onder "ontdoken belasting" wordt in de richtlijnen verstaan de belasting die te weinig is geheven. Onder ontdoken c.q. te weinig geheven belasting wordt mede begrepen de belasting die te weinig geheven zou zijn, indien de onjuiste aangifte door de belastingdienst (ten onrechte) zou zijn gevolgd. (...)."

3.3. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman heeft betoogd, kort samengevat, dat de vervolging in strijd is met de voor het Openbaar Ministerie geldende ATV-richtlijnen, nu volgens die richtlijnen vervolging slechts kan worden ingesteld indien bij een onderneming als in casu de ontdoken belasting meer dan fl.25.000,-- bedraagt, nu immers in het boekjaar waarop de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten betrekking hebben, sprake is van een negatief inkomen, wat ook het geval geweest was als geen sprake was geweest van investeringsaftrek. Het hof verwerpt dit verweer, omdat naar het oordeel van het hof sprake is van een onjuiste interpretatie van de richtlijn. Immers, onder ontdoken belasting wordt mede begrepen de belasting die te weinig zou zijn geheven indien de onjuiste aangifte door de belastingdienst (ten onrechte) zou zijn gevolgd. Naar het oordeel van het hof ziet dit mede op de mogelijkheid om in latere jaren de verliezen te compenseren. Dat op het moment van de vervolgingsbeslissing niet is te voorzien of de onderneming op enig moment in de toekomst winst zal genereren is in dit verband niet relevant."

3.4. 's Hofs uitleg van het begrip "ontdoken belasting" als bedoeld in de Richtlijnen is juist, zodat het middel in zoverre faalt.

3.5. Voorzover het middel voorts er over klaagt dat niet is komen vast te staan dat het bedrag aan ontdoken belasting in de zin van de Richtlijnen ƒ 25.000,- of meer heeft belopen en dat niet is vastgesteld dat aan de zaak drie prioriteitspunten als bedoeld in die Richtlijnen konden worden toegekend geldt het volgende. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer kennelijk en, gelet op de bewoordingen waarin het is vervat, niet onbegrijpelijk aldus opgevat dat het zich toespitste op de stelling dat geen belasting was "ontdoken" in de zin van de Richtlijnen en dat het niet tevens strekte ten betoge dat, indien van zodanige ontduiking wel sprake zou zijn, het ontdoken bedrag in het onderhavige geval beneden de ƒ 25.000,- lag en/of dat sprake was van het vereiste aantal prioriteitspunten. In cassatie kan een en ander niet met vrucht voor het eerst worden opgeworpen, omdat het een onderzoek van feitelijke aard vergt, zodat het middel ook in zoverre niet tot cassatie kan leiden.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd het ter terechtzitting van het Hof gevoerde verweer dat art.69, vierde lid, AWR aan vervolging van het onder 1 tenlastegelegde feit in de weg staat, heeft verworpen.

4.2. Het middel faalt op de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 26 tot en met 28 vermelde gronden.

5. Beoordeling van het derde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art.81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

7. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier S.V. Pelsser, en uitgesproken op 21 juni 2005.

Mr. Ilsink is buiten staat dit arrest te ondertekenen.