Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT3445

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-06-2005
Datum publicatie
03-06-2005
Zaaknummer
R04/092HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT3445
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2004:AR6781
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

3 juni 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/092HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: 1. [Verzoekster 1], 2. [Verzoeker 2], beiden wonende te [woonplaats], VERZOEKERS tot cassatie, advocaat: mr. R.E. Troost, t e g e n 1. [Verweerder 1], 2. [Verweerster 2], beiden wonende te [woonplaats], VERWEERDERS in cassatie, advocaat: mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai, e n 3. BUREAU JEUGDZORG GELDERLAND, gevestigd te Arnhem, VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 426a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 320
NJ 2005, 349
RFR 2005, 90
JWB 2005/202
JPF 2005/94 met annotatie van PVl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 juni 2005

Eerste Kamer

Rek.nr. R04/092HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

1. [Verzoekster 1],

2. [Verzoeker 2],

beiden wonende te [woonplaats],

VERZOEKERS tot cassatie,

advocaat: mr. R.E. Troost,

t e g e n

1. [Verweerder 1],

2. [Verweerster 2],

beiden wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai,

e n

3. BUREAU JEUGDZORG GELDERLAND,

gevestigd te Arnhem,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 11 december 2002 ter griffie van de rechtbank, sector kanton, te Arnhem ingekomen verzoekschrift hebben verzoekers tot cassatie - verder te noemen: de grootouders - zich gewend tot de kantonrechter aldaar en verzocht hen in plaats van verweerster in cassatie sub 3 - verder te noemen: BJG - te benoemen tot voogd over de op [geboortedatum] 2002 geboren [het kind], hierna: het kind, en voor zover nodig toestemming te verlenen tot wijziging van de verblijfplaats van het kind als bedoeld in art. 1:253s lid 2 BW.

BJG en verweerders in cassatie sub 1 en 2 - verder te noemen: de pleegouders - hebben het verzoek bestreden.

De kantonrechter heeft na mondelinge behandelingen op 10 juni 2003 en 1 december 2003 bij een op 1 december 2003 mondeling gegeven en op 15 december 2003 in het openbaar uitgesproken beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de voogdij over het kind gewijzigd en bepaald dat de grootouders met ingang van 1 januari 2004 belast worden met de voogdij over het kind in plaats van BJG.

BJG heeft het kind met ingang van 22 december 2003 bij de grootouders geplaatst.

Tegen deze beschikking hebben de pleegouders hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.

Bij beschikking van 4 mei 2004 heeft het hof de bestreden beschikking vernietigd en, opnieuw beschikkende, de grootouders niet-ontvankelijk in hun inleidend verzoek tot wijziging van de voogdij verklaard en het meer of anders verzochte afgewezen.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof hebben de grootouders beroep in cassatie ingesteld. Het cassatie-rekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De pleegouders hebben verzocht het beroep te verwerpen en BJG is in cassatie niet verschenen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Het kind is op [geboortedatum] 2002 geboren uit de door de grootouders geadopteerde [de moeder]. De moeder leidt een zwervend bestaan, is drugsverslaafd en niet in staat zelf voor het kind te zorgen.

(ii) Bij beschikking van 31 januari 2002 heeft de kinderrechter in de rechtbank te Arnhem, op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming te Arnhem, de rechtsvoorgangster van BJG belast met de voorlopige voogdij over het kind voor de duur van drie maanden.

(iii) De kantonrechter te Arnhem heeft bij beschikking van 26 april 2002 BJG benoemd tot voogdes over het kind. Het kind verbleef sinds 5 februari 2002 in het gezin van de pleegouders.

3.2 In het onderhavige geding hebben de grootouders, voor zover in cassatie van belang, verzocht hen te benoemen tot voogd in plaats van BJG. De kantonrechter heeft bij beschikking van 1 december 2003 de voogdij over het kind gewijzigd en de grootouders met ingang van 1 januari 2004 belast met de voogdij. BJG heeft met ingang van 22 december 2003 het kind bij de grootouders geplaatst. Het hof heeft de beschikking van de kantonrechter vernietigd en de grootouders niet-ontvankelijk verklaard in hun inleidend verzoek tot wijziging van de voogdij over het kind. Hiertegen richt zich het middel.

3.3 Hetgeen het hof in rov. 4.7 van zijn beschikking ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat de grootouders niet-ontvankelijk zijn in hun verzoek, komt op het volgende neer. Afgezien van het in art. 1:302 lid 3 (oud) BW bedoelde geval van fusie of splitsing van een rechtspersoon waaraan de voogdij is opgedragen, in welk geval ingevolge lid 4 van dit artikel op verzoek van onder meer bloedverwanten van de minderjarige de voogdij aan een ander kan worden opgedragen, voorziet de wet niet in een verzoek van grootouders van een minderjarige tot wijziging van de voogdij. De wet biedt ook geen aanknopingspunten voor het standpunt van de grootouders dat art. 1:253n BW dan wel art. 1:299 BW in dit geval analoog moeten worden toegepast.

Onderdeel 1 bestrijdt dit een en ander op zichzelf niet, maar betoogt dat het hof met de niet-ontvankelijkverklaring het door art. 8 EVRM beschermde recht van de grootouders op family life heeft geschonden. Het onderdeel ziet evenwel eraan voorbij dat de vaste rechtspraak van het EHRM wel inhoudt dat de band tussen ouder en kind "a fundamental element of family life" vormt, die door art. 8 EVRM wordt beschermd (Kutzner tegen Duitsland, EHRM 26 februari 2002, no. 46544/99, rov. 58), maar dat ditzelfde niet zonder meer geldt voor de betrekkingen tussen een kind en andere (naaste) bloedverwanten. Of tussen hen een, door art. 8 EVRM beschermd, gezinsleven bestaat, hangt af van het daadwerkelijke bestaan van nauwe persoonlijke betrekkingen (K en T tegen Finland, EHRM 12 juli 2001, no. 25702/94, rov. 150). Dit brengt mee dat weliswaar ook de band tussen grootouders en kleinkind in beginsel in aanmerking komt voor bescherming door art. 8 EVRM, maar dat de rechter aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval zal dienen te oordelen of een grootouder zich daadwerkelijk op deze bescherming kan beroepen (vgl. HR 19 november 1993, nr. 8380, NJ 1994, 330).

Bij dit een en ander is nog in het bijzonder van belang dat, naar het onderdeel evenzeer miskent, ook indien sprake zou zijn van gezinsleven, een inbreuk op de daaraan te ontlenen bescherming van art. 8 EVRM zelfs ten aanzien van de ouders gerechtvaardigd kan zijn, nu deze bescherming niet absoluut is, maar onderworpen is aan een afweging van belangen, waarbij het belang van het kind steeds de doorslag geeft; zie onder meer de uitspraak inzake Yousef tegen Nederland, EHRM 5 november 2002, no. 33711/96, NJ 2005, 34, waarin het Hof heeft overwogen "The Court reiterates that in judicial decisions where the rights under Article 8 of parents and those of a child are at stake, the child's rights must be the paramount consideration. If any balancing of interests is necessary, the interests of the child must prevail" (rov. 73).

Bij zijn oordeel in rov. 4.7 van zijn beschikking dat, voor zover de regeling dat de grootouders geen wijziging kunnen verzoeken inbreuk zou maken op hun gezinsleven of de wens gezinsleven met hun kleinkind te gaan opbouwen, dit een bij de wet voorziene inbreuk is die wordt gerechtvaardigd door het belang van de minderjarige die recht heeft op eerbiediging van het met zijn pleegouders bestaande gezinsleven, heeft het hof het hiervoor met betrekking tot art. 8 EVRM overwogene niet miskend. Nu dit oordeel in cassatie overigens niet is bestreden, is het onderdeel derhalve tevergeefs voorgesteld.

3.4 Onderdeel 2 strekt in de eerste plaats ten betoge dat termen bestaan voor ontzetting van BJG uit de voogdij op grond van art. 1:327 lid 1, onder b, BW. Dit betoog stuit reeds hierop af dat het zich niet richt tegen een oordeel van het hof, maar is gegrond op de stelling dat sprake is van misbruik van bevoegdheid van BJG door, in strijd met haar eigen opvattingen, na de uitspraak van het hof het kind terug te plaatsen bij de pleegouders.

Voor zover het onderdeel een beroep doet op het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind, voldoet het niet aan de daaraan ingevolge art. 426a Rv te stellen eisen, nu het niet nader aanduidt op grond waarvan de in het middel aangehaalde bepalingen van dit verdrag zouden nopen tot het oordeel dat de beslissing van het hof niet in stand kan blijven.

Het onderdeel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

3.5 Onderdeel 3, dat zich richt tegen rov. 4.8 van de bestreden beschikking, waarin het hof ten overvloede heeft overwogen dat, zo al aangenomen zou moeten worden dat de grootouders wel ontvankelijk zijn in hun verzoek, dat verzoek zou moeten worden afgewezen, kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst, P.C. Kop, E.J. Numann en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 3 juni 2005.