Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT2980

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-05-2005
Datum publicatie
26-05-2005
Zaaknummer
00456/04
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT2980
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

De door het hof gegeven beslissingen zijn niet vastgelegd in een verkort arrest, doch in een “uittreksel” waarin slechts zijn opgenomen de kwalificaties van de bewezenverklaarde feiten, de data waarop en de plaatsen waar zij zijn begaan, de toepasselijke wetsartikelen alsmede het dictum. ’s Hofs verzuim een arrest op te maken dat voldeed aan de ex art. 415 Sv toepasselijke wettelijke eisen, i.h.b. die van art. 365a jo. 138b Sv, heeft betrekking op een wezenlijke vorm van het strafproces zodat het nietigheid van de bestreden uitspraak oplevert. De omstandigheid dat zich bij de stukken ook een kennelijk later opgemaakt volledig uitgewerkt arrest bevindt, dwingt niet tot een ander oordeel.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 138b
Wetboek van Strafvordering 365a
Wetboek van Strafvordering 441
Wetboek van Strafvordering 433
Wetboek van Strafvordering 434
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2005, 219
NBSTRAF 2005/219
NJ 2006, 433 met annotatie van P.A.M. Mevis
JOL 2005, 303

Uitspraak

24 mei 2005

Strafkamer

nr. 00456/04

LR/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 18 juni 2003, nummer 24/000461-02, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, wonende te [woonplaats], ten tijde van het instellen van beroep in cassatie verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Noord, Huis van Bewaring Groningen.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Leeuwarden van 8 oktober 2002 - de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding (zaak B) primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van (zaak A) 1. primair "poging tot doodslag", (zaak B) subsidiair "poging tot zware mishandeling", (zaak A) 2. "als bestuurder van een motorrijtuig daarmede op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden" en (zaak A) onder 3. "overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld ten aanzien van (zaak A) 1. primair en (zaak B) subsidiair tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 140 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarde als in het arrest omschreven en voorts ten aanzien van (zaak A) 2. en 3. telkens tot zeven dagen hechtenis. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing of verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan. De conclusie is aan dit arrest gehecht.

3. Beoordeling van het derde middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het verkorte arrest van het Hof niet aan de wettelijke voorschriften voldoet omdat het niet de tenlastelegging, de bewezenverklaring en de strafmotivering bevat.

3.2. Blijkens de door de plaatsvervangend Procureur-Generaal ingewonnen inlichtingen zijn de door het Hof op 18 juni 2003 in de strafzaak tegen de verdachte gegeven beslissingen niet vastgelegd in een zogenoemd verkort arrest, doch in een "uittreksel" waarin slechts zijn opgenomen de kwalificaties van de bewezenverklaarde feiten, de data waarop en de plaatsen waar zij zijn begaan, de toepasselijke wetsartikelen alsmede het dictum. Dit "uittreksel" is aan dit arrest gehecht.

’s Hofs verzuim een arrest op te maken dat voldeed aan de hier ingevolge art. 415 Sv toepasselijke wettelijke eisen, in het bijzonder die van art. 365a in verbinding met art. 138b Sv, heeft betrekking op een wezenlijke vorm van het strafproces zodat het nietigheid van de bestreden uitspraak oplevert, ook al is deze niet met zoveel woorden in de wet bedreigd. De omstandigheid dat zich bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken ook een kennelijk later opgemaakt - volledig uitgewerkt - arrest van het Hof bevindt dat beantwoordt aan de wettelijke voorschriften inzake de vormgeving van rechterlijke uitspraken als de onderhavige, dwingt niet tot een ander oordeel.

3.3. Het middel is dus terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 24 mei 2005.