Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT1819

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-04-2005
Datum publicatie
28-06-2005
Zaaknummer
03021/04 U
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT1819
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vervolgingsuitlevering aan Turkije t.z.v. betrokkenheid bij de invoer en/of handel in ecstasy-pillen. Het Turkse forensisch rapport m.b.t. de inbeslaggenomen pillen bevindt zich niet bij de stukken en evenmin is vermeld tot welk resultaat dat onderzoek heeft geleid. Gelet daarop blijkt niet welke de samenstelling was van de stof die in de stukken met ecstasy/extasie/XTC is aangeduid. Dat brengt mee dat thans niet kan worden vastgesteld dat de jegens de opgeëiste persoon gerezen verdenking betrekking heeft op handelingen ten aanzien van een stof of stoffen waarop de Opiumwet van toepassing is en dus evenmin of die handelingen naar Nederlands recht strafbaar zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 april 2005

Strafkamer

nr. 03021/04 U

LR/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Breda van 8 september 2004, nummer RK 04/937, op een verzoek van de Republiek Turkije tot uitlevering van:

[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1960, wonende te [geboorteplaats].

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon ter strafvervolging in de Republiek Turkije toelaatbaar verklaard voor de handel in verdovende middelen in vereniging met anderen en ontoelaatbaar verklaard voor de productie van verdovende middelen.

2. Geding in cassatie

Het beroep, dat kennelijk niet is gericht tegen de partiële ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering, is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. F.J. Koningsveld, advocaat te Breda, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Keijzer heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de verzochte uitlevering ontoelaatbaar zal verklaren.

3. Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

Blijkens de door de verzoekende Staat overgelegde stukken wordt, voorzover thans nog van belang, de uitlevering van de opgeëiste persoon verzocht teneinde hem te kunnen vervolgen ter zake van - kort gezegd - zijn betrokkenheid bij de invoer en/of handel in ecstasy-pillen. Weliswaar houden de toegezonden stukken in dat de inbeslaggenomen pillen in het forensisch laboratorium van Antalya zijn onderzocht - van welk onderzoek onder no 2003/401 op 23 november 2003 een rapport is opgemaakt - doch dat rapport bevindt zich niet bij de stukken en evenmin is in het uitleveringsverzoek of de bijlagen daarvan vermeld tot welk resultaat bedoeld onderzoek heeft geleid. Gelet daarop blijkt niet welke de samenstelling was van de stof die in de stukken met ecstasy/extasie/XTC is aangeduid. Dat brengt mee dat thans niet kan worden vastgesteld dat de jegens de opgeëiste persoon gerezen verdenking betrekking heeft op handelingen ten aanzien van een stof of stoffen waarop de Opiumwet van toepassing is en dus evenmin of die handelingen naar Nederlands recht strafbaar zijn.

5. Slotsom

Hetgeen hiervoor onder 4 is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Beveelt dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 17 mei 2005 te 12.00 uur om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 5 april 2005.