Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT1801

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-06-2005
Datum publicatie
14-06-2005
Zaaknummer
02592/04
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT1801
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2002:AF4246
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Het hof heeft, kort samengevat, bewezenverklaard dat verdachte, als macrobiotisch voedingsadviseur, opzettelijk de gezondheid van A heeft benadeeld door haar, terwijl zij baarmoederhalskanker had, niet (tijdig) te verwijzen naar de reguliere gezondheidszorg en een macrobiotische oplossing aan te bieden waardoor A de benodigde (reguliere) medische zorg is onthouden. 1. 's Hofs oordeel dat i.c. verdachte jegens A "een bijzondere zorgplicht had, die tenminste met zich had meegebracht dat hij minder zijn weerstand tegen de reguliere geneeskunst had geëtaleerd en haar beter had geïnformeerd over de mogelijkheden en onmogelijkheden van de macrobiotiek en het feit dat geen enkel wetenschappelijk onderzoek had bevestigd dat macrobiotiek kanker kon genezen of inkapselen", getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en dat oordeel is naar behoren gemotiveerd. 2. De rechter kan ex art. 293.1 Sv beletten dat een getuige gevolg geeft aan een hem gestelde vraag, onder meer indien het antwoord daarop voor de beoordeling van de zaak niet relevant is. 's Hofs oordeel dat de getuige B een bepaalde vraag niet behoeft te beantwoorden omdat het antwoord daarop niet van belang is voor enige in deze strafzaak te nemen beslissing, is zonder nadere doch ontbrekende motivering niet begrijpelijk. De door de verdediging gestelde vraag strekte er immers kennelijk toe informatie te verkrijgen welke van belang zou kunnen zijn met het oog op de tenlastelegging voorzover inhoudende: "waardoor A de benodigde (reguliere) medische zorg is onthouden".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 375
NJ 2006, 83
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 juni 2005

Strafkamer

nr. 02592/04

IV/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 10 februari 2004, nummer 23/000364-02, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 20 december 2001, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding onder 1. primair, 2. primair, 2. subsidiair, 2. tweede subsidiair, 2. meer subsidiair en 2. meest subsidiair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. subsidiair "opzettelijke benadeling van de gezondheid terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft" veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een geldboete van € 2.000,-, subsidiair 35 dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep - dat zich kennelijk niet richt tegen de vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de zaak zal terugwijzen naar het Hof dan wel zal verwijzen naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel behelst onder meer de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft belet dat aan vragen van de verdediging aan de getuige [getuige 1] gevolg werd gegeven.

3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 februari 2003 houdt, voorzover hier van belang, ten aanzien van het verhoor van de getuige [getuige 1] het volgende in:

"De raadsvrouw verklaart, zakelijk weergegeven, dat getuigen hebben verklaard dat [het slachtoffer] bang was dat - als zij door een operatie haar vrouwelijkheid zou verliezen - haar man haar zou verlaten, zoals bij zijn eerste vrouw gebeurd zou zijn. Zij vraagt vervolgens aan de getuige wat hij hiervan weet en of dat gegeven van belang was voor [betrokkene 1].

De advocaat-generaal verklaart dat zelfs als het antwoord op de vraag bevestigend zou luiden, het nog niet relevant zou zijn.

De raadsvrouw zegt dat de beïnvloedbaarheid van [het slachtoffer] ten laste is gelegd en dat zij een antwoord wil op de vraag wat haar bewogen heeft tot het maken van haar keuze.

De getuige verklaart, zakelijk weergegeven: Daar wil ik liever discreet over zijn.

De advocaat-generaal zegt dat het antwoord op deze vraag niet relevant is. Zij gaat uit van het feit dat [het slachtoffer] avers was van medische behandeling. Zij wil aannemen dat [het slachtoffer] bang was voor verlies van aantrekkelijkheid. Deze zaken spelen echter naar haar oordeel geen rol bij de beïnvloedbaarheid van [het slachtoffer].

Het hof onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor beraad in raadkamer.

Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat de getuige de vraag niet hoeft te beantwoorden, nu het antwoord op de gestelde vraag niet van belang is voor enige in de onderhavige strafzaak te nemen beslissing."

3.3. Ingevolge art. 293, eerste lid, Sv kan de rechter beletten dat een getuige gevolg geeft aan een hem gestelde vraag, onder meer indien het antwoord daarop voor de beoordeling van de zaak niet relevant is.

3.4. Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep zoals hiervoor onder 3.2 weergegeven blijkt dat de verdediging de getuige [getuige 1] vragen wenste te stellen die zij van belang achtte in verband met de vraag wat [het slachtoffer] bewogen heeft om zich niet medisch te laten behandelen. Het oordeel van het Hof dat de getuige die vraag niet behoeft te beantwoorden omdat het antwoord daarop niet van belang is voor enige in deze strafzaak te nemen beslissing, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. De door de verdediging gestelde vraag strekte er immers kennelijk toe informatie te verkrijgen welke van belang zou kunnen zijn met het oog op de tenlastelegging voorzover inhoudende: "waardoor [het slachtoffer] de benodigde (reguliere) medische zorg is onthouden".

3.5. De klacht is gegrond.

4. Beoordeling van het derde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beoordeling van het vierde middel

5.1. Het middel bevat onder meer de klacht dat het Hof ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd heeft overwogen dat de verdachte jegens het slachtoffer een bijzondere zorgplicht had.

5.2. 's Hofs "overwegingen met betrekking tot het bewijs" houden voorzover voor de beoordeling van de klacht van belang het volgende in:

"1. Hoewel zich in het dossier van deze zaak verschillende verklaringen bevinden waaruit valt af te leiden dat verdachte mensen, die bij hem op consult komen, aanraadt om onder reguliere medische behandeling te blijven, stelt het Hof vast dat verdachte vóór en in de periode waarover de tenlastelegging spreekt sommigen van de personen die hem raadpleegden wel degelijk op soms indringende wijze heeft afgeraden zich allopatisch te laten behandelen. Meermalen heeft hij daarbij de indruk gewekt dat hij niet slechts als voedingsadviseur maar ook als behandelaar optrad. (...)

2. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat toen [het slachtoffer] zich in september 1991 voor een eerste officieel consult naar verdachte begaf, haar medische toestand weliswaar zorgelijk was, maar dat zij naar de heersende medische maatstaven een aanzienlijke genezingskans had, mits zij zich terstond onder allopatische behandeling zou stellen en een conisatie zou ondergaan. Die conisatie zou behalve diagnostisch, mogelijk zelfs afdoende therapeutisch gewerkt kunnen hebben.

3. Verdachte is oprichter en mededirecteur van het [A]-Instituut. Dit instituut organiseert onder verantwoordelijkheid van verdachte educatieve programma's, cursussen en opleidingen in de macro-biotische leef- en eetwijze. Het [A]-Instituut geeft onder verantwoordelijkheid van verdachte folders uit waarin onder meer wordt aangegeven dat het workshops en macrobiotische studieweken organiseert, waarbij o.a. onderwerpen als "het voorkómen en genezen van borst-, eierstok-, baarmoeder(hals)- kanker en cysten" worden behandeld.

Verdachte is leraar in de macrobiotiek en geeft lezingen en cursussen, onder andere in het [A]-Instituut. Als voedingsdeskundige geeft hij beroepsmatig voedingsadviezen en consulten aan mensen die zich tot hem wenden met gezondheidsklachten. Het gaat daarbij ook om mensen met zeer ernstige klachten, die in twijfel verkeren of zij zich (verder) onder allopatische behandeling zullen stellen. Verdachte stelt diagnoses en zegt zich te realiseren dat mensen hem soms als dokter zien en verwachten dat hij hen kan redden.

Verdachte en [het slachtoffer] kenden elkaar al vanaf het begin van de jaren tachtig. [het slachtoffer], die zich al jaren met de macrobiotiek bezig hield en die sinds de oprichting in 1987 in het [A]-Instituut kwam, daar heeft gewerkt en af en toe lessen, dan wel cursussen in de macrobiotiek heeft gevolgd, heeft verdachte in september 1991 en juni 1992 geconsulteerd en hem in het voorjaar van 1994 gevraagd naar een oplossing voor haar ernstige vaginale bloedingen. Tussentijds zijn er meermalen informele contacten geweest tussen verdachte en [het slachtoffer].

Tenslotte is zij in juli 1994, terwijl zij ernstig verzwakt was en hevige bloedingen had, in Drakenburgh te Baarn, tijdens een aldaar gehouden studieweek van het [A]-Instituut onder supervisie van verdachte, 24 uur per dag verzorgd.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [het slachtoffer], toen zij zich in 1991 tot verdachte wendde in twijfel verkeerde of zij het advies van haar arts en gynaecoloog wel of niet zou opvolgen.

Verdachte had al voor het consult van september 1991 het vermoeden dat [het slachtoffer] gezondheidsproblemen had, maar vanaf dat consult wist verdachte dat er bij haar sprake was van waarschijnlijk baarmoeder- (hals)kanker. Hij was ook op de hoogte van haar grote angst voor medische ingrepen alsmede dat zij een groot vertrouwen in hem stelde en verwachtte dat hij haar zou redden.

Verdachte zegt dat hem in de periode 1991-1994 geen gevallen bekend waren van baarmoederhalskanker die alléén via de macrobiotiek waren genezen of waarin het kankergezwel was ingekapseld als gevolg van het eten van macrobiotische voeding.

4. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden stelt het Hof vast dat verdachte van meet af aan jegens [het slachtoffer] een bijzondere zorgplicht had, die ten minste met zich had meegebracht dat hij minder zijn weerstand tegen de reguliere geneeskunst had geëtaleerd en haar beter had geïnformeerd over de mogelijkheden en de onmogelijkheden van de macro-biotiek en het feit dat geen enkel wetenschappelijk onderzoek had bevestigd dat macrobiotiek kanker kon genezen of inkapselen.

5.3. Het oordeel van het Hof dat onder de door hem vastgestelde omstandigheden op de verdachte jegens [het slachtoffer] een bijzondere, hiervoor onder 5.2 sub 4 nader omschreven zorgplicht rustte, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is naar behoren gemotiveerd. De klacht faalt derhalve.

6. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak - voorzover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen - niet in stand kan blijven, de middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak wat betreft het onder 1 tenlastegelegde op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman, J.W. Ilsink en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 14 juni 2005.