Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT1774

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-05-2005
Datum publicatie
19-07-2007
Zaaknummer
02316/04 H
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT1774
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 mei 2005

Strafkamer

nr. 02316/04 H

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 5 december 2000, nummer 09/091917-00, ingediend door mr. M.R. Mantz, advocaat te 's-Gravenhage namens:

[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, wonende te [woonplaats].

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van "diefstal" veroordeeld tot een geldboete van zeshonderd gulden subsidiair twaalf dagen hechtenis. Het betrof een op 5 september 2000 gepleegde winkeldiefstal bij "Hennes en Mauritz" te 's-Gravenhage.

2. De aanvrage tot herziening

2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrager voert daartoe aan dat niet hij, maar zijn broer het bewezenverklaarde feit heeft begaan en dat deze bij zijn aanhouding tegenover de politie de personalia van de aanvrager heeft opgegeven.

3. De conclusie van de Advocaat-Generaal

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage ongegrond zal verklaren.

4. Beoordeling van de aanvrage

4.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

4.2. Op verzoek van de Advocaat-Generaal heeft de politie Haaglanden twee op deze zaak betrekking hebbende documenten toegezonden. Het betreft:

(a) een kopie van een mutatieformulier van verbalisant [verbalisant 1], met volgnummer 31, onder meer inhoudende:

"Winkeldiefstal bij Hennes en Mauritz (...)

Aan het bureau bleek dat de verdachte [aanvrager] een verkeerde geb. datum had opgegeven. Verdachte [aanvrager] ontkende de diefstal en bleef dit volhouden.

(...)

Van verdachte [aanvrager] hadden we geen legitimatie. De VD gebeld en deze hadden een foto van hem. Bij vergelijking van de foto bleek [aanvrager] ook echt [aanvrager] te zijn.

Aanvullend pv opgemaakt inzake gratieverzoek.

Met verdachte afgesproken om aan het bureau te verschijnen, is niet verschenen, hierop pv van bevindingen opgemaakt."

(b) een kopie van een proces-verbaal van bevindingen, met volgnummer 26, op ambtsbelofte/-eed opgemaakt door

[verbalisant 1] en [verbalisant 2], onder meer inhoudende:

"Op 05-09-2000 te uur werd [aanvrager], geboren op [geboortedatum]-1980 te [geboorteplaats] en wonende te [a-straat 1] te [woonplaats] door de winkelbeveiliging aangehouden terzake winkeldiefstal bij winkelbedrijf Hennes en Mauritz gevestigd te Spuistraat 10 te Den Haag.

Hierop hebben wij, verbalisanten, een onderzoek ingesteld en vervolgens werd het proces verbaal ingezonden. Vervolgens kregen wij, verbalisanten, het verzoek een nader onderzoek in te stellen daar de verdachte een gratieverzoek had ingediend. In dit gratieverzoek verklaarde de verdachte niet te zijn aangehouden ter zake voornoemde winkeldiefstal. Wij, verbalisanten, hebben hierop telefonisch contact opgenomen met de verdachte. Met de verdachte werd een afspraak gemaakt om op dinsdag 23-10-2001 omstreeks 22.30 uur, aan het bureau van de politie te komen om hem te vergelijken met de verdachte met wie wij, verbalisanten, te maken hadden tijdens ons onderzoek.

Op dinsdag 23-10-2001 omstreeks 22.30 uur is de door ons uitgenodigde verdachte [aanvrager] echter niet aan voornoemd bureau verschenen."

4.3. Gelet op de inhoud van deze documenten geven de bij de aanvrage overgelegde stukken onvoldoende steun aan de stelling waarop de aanvrage berust, te weten dat in de zaak die leidde tot de uitspraak waarvan herziening is gevraagd sprake is geweest van persoonsverwisseling.

4.4. Hieruit volgt dat niet kan worden gesproken van een ernstig vermoeden als hiervoor onder 4.1 bedoeld. De aanvrage is dus ongegrond en moet ingevolge art. 468 Sv worden afgewezen.

5. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier R. Kuiper, en uitgesproken op 17 mei 2005.