Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT1772

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-05-2005
Datum publicatie
10-05-2005
Zaaknummer
02200/04
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT1772
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. De opvatting dat art. 3 (oud) Regeling wapens en munitie de eisen v.w.b. vorm, afmeting en kleur van het op een vuurwapen gelijkend voorwerp cumulatief stelt in die zin dat bijv. bij enige afwijking in de kleur, zoals i.c., die bepaling niet van toepassing is en geen sprake is van sprekende gelijkenis als bedoeld in die bepaling, is gelet op de kennelijke strekking van die bepaling – het weren van voor bedreiging of afdreiging geschikte voorwerpen – onjuist. 2. ’s Hofs oordeel dat de omstandigheid dat een gekleurde ring om de loop van het voorwerp en/of een gekleurde stop in het uiteinde van de loop van het voorwerp is aangebracht – in welk oordeel besloten ligt dat de voorwerpen voor het overige de kleur van de originele wapens hadden – i.c. ondergeschikt is aan de aspecten van vorm en afmeting en er niet aan in de weg staat dat sprake is van voorwerpen die v.w.b. hun vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens ex art. 3.b, van voormelde Regeling, is onjuist noch onbegrijpelijk.

Wetsverwijzingen
Wet wapens en munitie
Wet wapens en munitie 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2005, 225
NBSTRAF 2005/225
JOL 2005, 275
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 mei 2005

Strafkamer

nr. 02200/04

PB/AG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 27 februari 2004, nummer 23/004832-02, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Alkmaar van 4 oktober 2002 - voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte ter zake van 1. en 3. telkens opleverende "handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van éénhonderd uren subsidiair vijftig dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Wortelboer, advocaat te Alkmaar, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel is gericht tegen de verwerping door het Hof van een namens de verdachte gevoerd verweer betrekking hebbende op feit 1.

3.2. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2001 tot en met 22 januari 2002 in Nederland, telkens een wapen van categorie I onder 7°, telkens te weten een zogenaamd "Airsoftwapen", telkens zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad en heeft doen binnenkomen en ter beschikking heeft gesteld en heeft verhandeld, van welk misdrijf hij, verdachte, een gewoonte heeft gemaakt."

3.3. Het in het middel bedoelde verweer is door het Hof als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman van de verdachte heeft bij gelegenheid van zijn pleidooi naar voren gebracht - zakelijk weergegeven - dat het onder 1. tenlastegelegde feit niet voor bewezenverklaring in aanmerking komt.

Hij heeft daartoe aangevoerd op de eerste plaats dat de voorwerpen die door de verdachte zijn verhandeld weliswaar ten aanzien van de aspecten van vorm en afmeting sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens, doch dat die gelijkenis niet gold voor wat betreft de kleur. De wapens die de verdachte voorhanden heeft gehad en die door hem zijn verhandeld waren steeds voorzien van een opvallend gekleurde ring om (het uiteinde van) de loop en/of waren voorzien van een dito gekleurde stop in de loop. Aan deze kleuraspecten komt een wezenlijk onderscheidend vermogen toe zodat niet kan worden gezegd dat de airsoftwapens die door de verdachte zijn verhandeld kunnen worden aangemerkt als voorwerpen in de zin van artikel 3 sub b. van de Regeling wapens en munitie zoals die bepaling heeft gegolden tot 1 december 2001. De redactie van die bepaling stelde voor wat betreft het aannemen van sprekende gelijkenis met vuurwapens immers cumulatief eisen, te weten vorm, afmeting en kleur. Aan laatstbedoelde eis is in casu niet voldaan, aldus de raadsman.

(...).

Het hof overweegt naar aanleiding van het vorenstaande als volgt.

De verdachte heeft in de tenlastegelegde periode zogeheten airsoftwapens voorhanden gehad, hij heeft deze voorwerpen doen binnenkomen, ter beschikking gesteld en ook heeft hij deze voorwerpen verhandeld. Deze airsoftwapens vertonen voor wat betreft vorm en afmeting sprekende gelijkenis met vuurwapens. Het hof volgt de verdediging niet in de ten aanzien van het aspect van kleur gevolgde redenering. Het hof is van oordeel dat het aspect van toevoeging van kleur in de hierna bedoelde zin in het onderhavige geval ondergeschikt is aan de aspecten van vorm en afmeting. De kleuraspecten die door de verdediging onder overlegging van foto's naar voren zijn gebracht -een gekleurde ring om de loop van het voorwerp en/of een gekleurde stop in het uiteinde van de loop van het voorwerp- brengen, gegeven de sprekende gelijkenis met vuurwapens voor wat betreft vorm en afmeting, niet een zodanig onderscheid mee dat niet meer kan worden gesproken van voorwerpen die voor wat betreft hun vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens, zoals tot 1 december 2001 werd verwoord in artikel 3 sub b. van de Regeling wapens en munitie. Dit betekent dat het verweer van de raadsman moet worden verworpen.(...)."

3.4.1. Art. 2, eerste lid, Wet wapens en munitie luidt, voorzover hier van belang:

"Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën.

Categorie I

(...);

7°. andere door Onze Minister aangewezen voorwerpen die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken, dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn."

3.4.2. Art. 3 van de Regeling wapens en munitie (Stcrt. 1997, 129) zoals deze gold van 12 juli 1997 tot en met 30 november 2001, luidde voorzover hier van belang:

"Als voorwerpen van categorie I, onder 7°, die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn, worden aangewezen:

(...);

b. voorwerpen die voor wat betreft hun vorm, afmetingen en kleur een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens of met voor ontploffing bestemde voorwerpen;"

3.5. Het in het middel genoemde verweer komt er in de kern op neer dat art. 3 (oud) van de Regeling de eisen voor wat betreft vorm, afmeting en kleur van het voorwerp cumulatief stelt in die zin dat bijvoorbeeld bij enige afwijking in de kleur, zoals in het onderhavige geval, die bepaling niet van toepassing is en geen sprake is van een sprekende gelijkenis als bedoeld in die bepaling.

Die opvatting, waarvoor geen steun is te vinden in de tekst van meergenoemde bepaling noch in de wetsgeschiedenis, is echter gelet op de kennelijke strekking van die bepaling - het weren van voor bedreiging of afdreiging geschikte voorwerpen - onjuist.

3.6. Een en ander strookt met hetgeen is opgemerkt in de toelichting bij de op 1 december 2001 van kracht geworden Regeling wapens en munitie (Stcrt. 2001, 230) omtrent het afschaffen van het kleurcriterium, onder 'Toelichting Algemeen':

"Een belangrijke wijziging in deze herziening vormt het loslaten van het criterium kleur in artikel 3 van de Rwm. Dit betekent dat de kleur van een voorwerp in het geheel niet meer bepalend is voor het beantwoorden van de vraag of er sprake is van een sprekende gelijkenis met vuurwapens of voor ontploffing bestemde voorwerpen. Reden hiervoor is, dat het criterium 'kleur' geen onderscheidend vermogen meer heeft. Dit is het gevolg van de ontwikkeling van vuurwapens, welke zijn uitgevoerd in andere dan voor vuurwapens gebruikelijke kleuren, zoals die sinds het begin van de ontwikkeling van vuurwapens worden gebruikt. Voor een uitgebreide toelichting op dit punt wordt verwezen naar de specifieke toelichting op dit onderdeel."

(Stcrt. 27 november 2001, blz. 9)

Onder 'Toelichting op onderdelen' is onder 'Artikel I' onder 'A', voorzover hier van belang, opgemerkt:

"Onderdeel a bevat een algemene bepaling, waarin het criterium kleur niet meer is opgenomen. Dit betekent dat thans enkel nog de criteria vorm en afmetingen bepalend zijn voor de vraag of een voorwerp een gelijkenis vertoont met bestaande vuurwapens of voor ontploffing bestemde voorwerpen. Het voorwerp behoeft niet een gelijkenis te vertonen met één specifiek vuurwapen of voor ontploffing bestemd voorwerp. Bepalend is of de voorwerpen gelijken op vuurwapens of voor ontploffing bestemde voorwerpen in het algemeen en in zoverre voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn.

De voorwaarden die gelden om te voldoen aan het criterium 'sprekende gelijkenis' zijn primair de vorm van het voorwerp en in mindere mate 'de afmetingen'. De vorm moet voldoen aan die van vuurwapens of voor ontploffing bestemde voorwerpen in het algemeen. De afmetingen moeten in het algemeen overeenkomen met de afmetingen van bestaande vuurwapens of voor ontploffing bestemde voorwerpen van dit soort. Dat wil zeggen dat een verschil van enkele centimeters vaak niet van belang is. Het criterium 'afmetingen' is ondergeschikt aan het criterium 'vorm'.

Dit vanwege het feit dat de laatste jaren steeds meer vuurwapens op de markt zijn verschenen met totaal uiteenlopende afmetingen.

Het criterium 'kleur' is verwijderd aangezien het geen onderscheidend vermogen meer heeft. Deze situatie vloeit voort uit de ontwikkeling van vuurwapens, uitgevoerd in andere dan tot voor kort voor vuurwapens gebruikelijke kleuren. Het betreft hier vuurwapens die gedeeltelijk, grotendeels of nagenoeg geheel uitgevoerd zijn in bijvoorbeeld de kleuren rood, groen, of geel. Lucht-, gas- en veerdrukwapens werden reeds eerder geproduceerd in deze (tot voor kort) ongebruikelijke kleuren. Deze voorwerpen waren op grond van het oude artikel 3, aanhef en onder a, in eerste instantie niet te categoriseren als categorie I en derhalve een categorie IV-wapen. Dit was een uiterst onwenselijke situatie, aangezien deze voorwerpen door vorm en afmetingen, ondanks hun afwijkende kleur, in verschillende omstandigheden toch hun bedreigend karakter bleken te behouden. Bovendien zijn in de praktijk diverse malen wapens aangetroffen die met een verfbus waren overgespoten, waardoor ze niet, of zeer moeilijk, van een echt wapen in originele kleur te onderscheiden waren."

(Stcrt. 27 november 2001, blz. 9)

3.7. 's Hofs oordeel dat de omstandigheid dat een gekleurde ring om de loop van het voorwerp en/of een gekleurde stop in het uiteinde van de loop van het voorwerp is aangebracht - in welk oordeel besloten ligt dat de voorwerpen voor het overige de kleur van de originele wapens hadden - in het onderhavige geval ondergeschikt is aan de aspecten van vorm en afmeting en er niet aan in de weg staat dat sprake is van voorwerpen die voor wat betreft hun vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens in de zin van art. 3, aanhef onder b, van de Regeling, geeft dus geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

3.8. Het middel kan dus niet tot cassatie leiden.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambthalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesprokenop 10 mei 2005.