Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AT1758

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-05-2005
Datum publicatie
31-05-2005
Zaaknummer
02045/04
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT1758
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

In de afwijzing door het hof van het aanhoudingsverzoek ligt als zijn oordeel besloten dat het belang van berechting binnen redelijke termijn i.c. diende te prevaleren boven verdachtes belang bij bijstand van een raadsman tijdens de verdere behandeling ter terechtzitting in appèl. Dat oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat reeds drie behandelingen in appèl hadden plaatsgevonden, dat verdachte daarbij telkens door een raadsman werd verdedigd, dat verdachte ruimschoots de gelegenheid heeft gehad met zijn raadsman te overleggen over het horen van getuigen en dat die getuigen weliswaar in afwezigheid van verdachte die niet was verschenen, maar in aanwezigheid van de ex art. 279 Sv gemachtigde raadsman door het hof zijn gehoord, terwijl het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat het aan verdachte zelf te wijten is dat het ter terechtzitting tot een vertrouwensbreuk met zijn raadsman is gekomen als gevolg waarvan hij niet langer van rechtsbijstand was voorzien.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 279
Wetboek van Strafvordering 328
Wetboek van Strafvordering 330
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2005, 267
NBSTRAF 2005/267
JOL 2005, 331
NJ 2005, 416
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

31 mei 2005

Strafkamer

nr. 02045/04

LR/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 januari 2004, nummer 23/000327-02, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, wonende te Zeist, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in het Detentie Centrum Zeist, lokatie mannen, te Soesterberg.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Rechtbank te Utrecht van 11 januari 2002 - de verdachte ter zake van 1. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en munitie van categorie III", 2. "mishandeling" en 3. "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.G.M. Dassen, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof op ontoereikende gronden een verzoek tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting heeft afgewezen en dat onderzoek heeft voortgezet zonder de verdachte in de gelegenheid te stellen zich van rechtsbijstand te voorzien na een vertrouwensbreuk met zijn toenmalige raadsman.

3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 januari 2004 houdt, voorzover van belang, het volgende in:

"De verdachte, door de voorzitter met inachtneming van het bepaalde in de desbetreffende artikelen van het Wetboek van Strafvordering ondervraagd, verklaart -zakelijk weergegeven-:

ten aanzien van de zaak met rolnummer 23-000327-02 (feit 2 en 3):

Ik blijf bij de verklaring die ik ter terechtzitting van 10 maart 2003 heb afgelegd. [Getuige 1] heeft acht of negen maanden geleden tegen mij gezegd dat zij haar belastende verklaring niet wil wijzigen uit angst voor een meineedprocedure. Ik weet dat [getuige 1] ter terechtzitting van 26 juni 2003 als getuige is gehoord. Ik was daar niet bij, omdat ik mij had verslapen. [Getuige 1] zei pas na de zitting dat zij een verklaring had afgelegd.

Ik weet ook dat ter terechtzitting van 18 september 2003 [getuige 2] als getuige is gehoord. Ik had hem vragen willen stellen. Ook toen kon ik echter niet naar de zitting komen, omdat ik door een fout van de politie eerst 36 uur lang tevergeefs op het politiebureau heb zitten wachten op vervoer naar de zitting en vervolgens zonder geld ben heengezonden.

U leest de inhoud voor van de verklaring die [getuige 1] ter terechtzitting van 26 juni 2003 heeft afgelegd.

[Getuige 1] vertelt een verhaaltje. De achtergronden zijn daarbij niet aan de orde gekomen. Ik wil dat [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 2] als getuigen ter terechtzitting worden gehoord.

U wijst mij er op dat deze zaak reeds meermalen is aangehouden voor het horen van getuigen en dat daarbij ook mijn standpunt in acht is genomen. Ik vind niet dat er sprake is van een fair trial. De getuigen die voor mij ontlastende verklaringen kunnen afleggen worden niet gehoord.

U leest de inhoud voor van de verklaring die [getuige 2] ter terechtzitting van 18 september 2003 heeft afgelegd. Op 21 mei 2001 was ik in de woning van [getuige 1] aan de [a-straat] te [plaats].

Het is allemaal niet gebeurd zoals [getuige 1] en [getuige 2] verklaren. Er waren destijds problemen tussen [getuige 1] en mij. [Getuige 1] was prostituee. Als zij werkte bleven de kinderen thuis met [getuige 2]. [Betrokkene 2] snoof zich vol en dronk. Ik nam het slechts op voor de kinderen.

Er is wel over en weer geduwd, getrokken en gescholden. Ik heb niet geslagen. Uit boosheid heb ik ook wel dreigende taal gebruikt, maar ik heb daarbij niet gezegd dat ik 'geladen was' of dat ik 'lood had'. [Getuige 1] heeft een verhaal verzonnen, omdat zij en [getuige 2] mij weg wilden hebben. Ik stond hen in de weg.

Ten aanzien van het in de zaak met rolnummer 23-000327-02 onder 1 tenlastegelegde:

Het op 30 mei 2001 in de woning aan de [b-straat 1] te [plaats] aangetroffen vuurwapen is niet van mij. De kamer waar het vuurwapen is gevonden, werd gehuurd door mijn vriendin [getuige 4]. Ik ben regelmatig in de kamer van [getuige 4] geweest. Ik woonde of verbleef daar echter niet, omdat de huisbaas van [getuige 4] dat niet toestond.

U houdt mij de inhoud voor van de verklaring die [getuige 4] op 30 mei 2001 bij de politie heeft afgelegd.

Als [getuige 4] heeft verklaard dat wij daar samenwoonden, dan moet zij als getuige op de zitting worden gehoord. Ik ken de hoofdbewoonster: [getuige 5]. Ik weet niet precies waar in de woning [getuige 4]s kamer was.

Ik woonde destijds bij [getuige 1] op het adres [a-straat 1] te [plaats].

Ik krijg het gevoel dat u mij als leugenaar wilt neerzetten. Er zijn in hoger beroep slechts twee getuigen gehoord die een belastende verklaring hebben afgelegd. De houding van [getuige 1] en [getuige 2] blijkt niet uit het dossier. Uit hun verklaringen komt slechts naar voren wat ik gedaan zou hebben. Het is [getuige 1]'s verhaal tegenover dat van mij. Alle andere betrokken personen zijn niet gehoord. Ik vind niet dat ik een eerlijk proces heb gehad.

U houdt mij voor dat dit reeds de vierde behandeling in hoger beroep is en dat ik blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 maart 2003 de gelegenheid heb gehad om met mijn raadsman te overleggen over het horen van getuigen op de nadere terechtzitting, naar aanleiding waarvan het hof de getuigen [getuige 1 en 2] heeft gehoord.

Ik ben in januari 2002 door de rechtbank veroordeeld. Ik heb toen tegen mijn raadsman gezegd dat ik nog drie getuigen op de zitting wilde. Ik ontsla dan nu mijn raadsman omdat hij mij geen gelegenheid heeft geboden deze getuigen vragen te stellen.

Het hof onderbreekt het onderzoek zodat de verdachte met zijn raadsman hierover kan overleggen.

Na hervatting deelt de raadsman mede, zakelijk weergegeven:

Ik ben genoodzaakt de verdediging neer te leggen, nu cliënt het vertrouwen in mij heeft opgezegd.

Ik kan niet méér mededelen dan dat het een meningsverschil over de in hoger beroep op te roepen getuigen betreft.

De voorzitter deelt de verdachte daarop mede dat er in deze strafzaak geen ambtshalve toevoeging is vereist omdat er geen voorlopige hechtenis is toegepast. De voorzitter wijst er voorts op dat de verdachte, als hij besluit om zijn raadsman te ontslaan, bij voortzetting van de behandeling, zijn eigen verdediging zal moeten voeren.

De verdachte verklaart hierop, zakelijk weergegeven:

Ik heb meermalen aangeven dat bepaalde personen als getuige gehoord moeten worden. Ik vind niet dat ik daartoe de kans heb gehad. Ik ontsla nu mijn advocaat.

De raadsman verlaat hierop de zittingszaal.

De advocaat-generaal deelt mede dat [getuige 1] op 28 augustus 2003 een nieuwe aangifte ter zake van mishandeling tegen verdachte heeft gedaan.

De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:

Ik weet niets van een nieuwe aangifte. Ik ben benieuwd hoe dit kan.

Ten aanzien van het in de zaak met rolnummer 23-000349-03 tenlastegelegde:

Ik beroep mij op mijn zwijgrecht. Ik heb geen advocaat. Ik wil een andere advocaat.

De advocaat-generaal deelt mede, zakelijk weergegeven:

Ik verzet mij er tegen dat het onderzoek opnieuw wordt geschorst. Ik krijg de indruk dat de verdachte probeert de regie in handen te krijgen. Als hij zich in dit stadium beroept op het ontbreken van rechtsbijstand dan is dat naar mijn mening procesmisbruik.

De voorzitter deelt mede dat het hof bij de vorige onderbreking reeds heeft geanticipeerd op een mogelijk verzoek van verdachte tot schorsing van het onderzoek.

Nu verdachte tevoren duidelijk is gewezen op de consequenties en er desondanks voor heeft gekozen zijn raadsman te ontslaan, ziet het hof geen aanleiding het verzoek van verdachte in te willigen. Het onderzoek wordt voortgezet."

3.3. In de afwijzing door het Hof van het verzoek tot aanhouding ligt als zijn oordeel besloten dat het belang van berechting binnen een redelijke termijn in dit geval diende te prevaleren boven het belang van de verdachte bij bijstand van een raadsman tijdens de verdere behandeling ter terechtzitting in hoger beroep. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat reeds drie behandelingen in hoger beroep hadden plaatsgevonden, dat de verdachte daarbij telkens door een raadsman werd verdedigd, dat de verdachte ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om met zijn raadsman te overleggen over het horen van nadere getuigen en dat die nadere getuigen weliswaar in afwezigheid van de verdachte die - om hem moverende redenen - niet was verschenen, maar in aanwezigheid van de op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman door het Hof zijn gehoord, terwijl het Hof, gelet op hetgeen aan het verzoek is voorafgegaan, kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat het aan de verdachte zelf te wijten is dat het ter terechtzitting tot een vertrouwensbreuk met zijn raadsman is gekomen als gevolg waarvan hij niet langer van rechtsbijstand was voorzien.

3.4. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier A. Dantuma-Hieronymus, en uitgesproken op 31 mei 2005.