Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AS9036

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-06-2005
Datum publicatie
10-06-2005
Zaaknummer
R04/145HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AS9036
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

10 juni 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/145HR RM Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Verzoeker], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 15
Faillissementswet 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 351
NJ 2005, 314
RvdW 2005, 83
JWB 2005/224
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 juni 2005

Eerste Kamer

Rek.nr. R04/145HR

RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Verzoeker],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai.

1. Het geding in feitelijke instanties

Bij vonnis van de rechtbank te Almelo van 3 januari 2001 is op verzoek van schuldeisers het faillissement uitgesproken van verzoeker tot cassatie (verder te noemen: [verzoeker]). Mr. A. Hurenkamp, advocaat te Wierden, is daarbij door de rechtbank benoemd tot curator.

Bij verzoekschrift gedateerd 30 augustus 2004 heeft [verzoeker] aan de rechtbank te Almelo verzocht het op 3 januari 2001 uitgesproken faillissement op te heffen en gelijktijdig de schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren.

De rechtbank heeft bij vonnis van 9 november 2004 het verzoek afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.

Na mondelinge behandeling op 16 december 2004 heeft het hof bij arrest van 23 december 2004 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in cassatie om het volgende.

(i) Bij vonnis van 3 januari 2001 is op verzoek van schuldeisers het faillissement van [verzoeker] uitgesproken.

(ii) [Verzoeker] is bij de behandeling van het verzoekschrift niet verschenen. Hij heeft verzet gedaan tegen het faillissementsvonnis, maar heeft dit verzet later ingetrokken. [Verzoeker] heeft de brief van de griffier als bedoeld in art. 3 lid 1 F., waarin hem werd medegedeeld dat hij een verzoek kon indienen tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling, met zijn advocaat besproken. Hij heeft toen afgezien van het indienen van een dergelijk verzoek.

(iii) Bij verzoekschrift van 30 augustus 2004 heeft [verzoeker] de rechtbank verzocht het op 3 januari 2001 uitgesproken faillissement op te heffen en gelijktijdig de schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren.

(iv) De rechtbank heeft het verzoek afgewezen. In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het hof overwoog, voorzover thans van belang, onder verwijzing naar art. 15b lid 1 F., dat [verzoeker] wegens hem toe te rekenen omstandigheden heeft nagelaten tijdig binnen de in art. 3 lid 1 F. bedoelde termijn een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in te dienen (rov. 3.3- 3.4).

3.2.1 Onderdeel 1 klaagt dat het hof de maatstaf van art. 15b lid 1 F. heeft miskend. Het onderdeel betoogt dat voor de beoordeling van de toerekeningsvraag niet slechts de toenmalige stand van zaken moet worden bezien, maar tevens relevante omstandigheden die sedertdien zijn opgetreden, in het bijzonder omstandigheden die met zich brengen dat de gefailleerde in redelijkheid niet gehouden kan worden aan het toenmalige afzien van het verzoek. Tot zulke omstandigheden behoren, aldus nog steeds het onderdeel, het gedrag van de gefailleerde gedurende het faillissement, het positieve advies van de curator en de gang van zaken rond het faillissement.

3.2.2 Art. 15b lid 1 F. bepaalt, voorzover thans van belang, dat de rechtbank op verzoek van de gefailleerde het faillissement kan opheffen onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling indien redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de gefailleerde wegens hem toe te rekenen omstandigheden binnen de termijn bedoeld in art. 3, eerste lid, geen verzoekschrift tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend. Gelet op de bewoordingen van deze bepaling en gelet op de wetsgeschiedenis zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.1, is de mogelijkheid voor de schuldenaar om - nadat het faillissement op verzoek van schuldeisers is uitgesproken - alsnog toepassing van de schuldsaneringsregeling te bewerkstelligen, beperkt tot het geval dat de schuldenaar wegens hem niet toe te rekenen omstandigheden heeft nagelaten binnen de (in art. 3 lid 1 F. bedoelde) termijn van veertien dagen na verzending van de brief van de griffier opheffing van het faillissement en gelijktijdig van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling te verzoeken. Bij de in art. 15b lid 1 F. genoemde omstandigheden gaat het derhalve om omstandigheden die zich hebben voorgedaan binnen de bedoelde termijn van veertien dagen. Het hof heeft omstandigheden van latere datum dan ook terecht niet in zijn beoordeling betrokken. Onderdeel 1 faalt derhalve.

3.3 Ook de in onderdeel 2 aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 10 juni 2005.