Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AS8447

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-06-2005
Datum publicatie
24-06-2005
Zaaknummer
C04/025HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AS8447
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

24 juni 2005 Eerste Kamer Nr. C04/025HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [Eiser 1], 2. [Eiser 2], 3. [Eiser 3], allen wonende te [woonplaats], EISERS tot cassatie, advocaat: mr. E. van Staden ten Brink, t e g e n 1. [Verweerder 1], wonende te [woonplaats], 2. [Verweerder 2],wonende te [woonplaats], 3. [Verweerder 3], wonende te [woonplaats], 4. [Verweerster 4], wonende te [woonplaats], 5. [Verweerster 5], wonende te [woonplaats], VERWEERDERS in cassatie, niet verschenen, e n 6. [Verweerder 6], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: aanvankelijk Mr. J. van Duijvendijk-Brand, later niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 386
RFR 2005, 115
JWB 2005/236
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 juni 2005

Eerste Kamer

Nr. C04/025HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiser 1],

2. [Eiser 2],

3. [Eiser 3],

allen wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink,

t e g e n

1. [Verweerder 1],

wonende te [woonplaats],

2. [Verweerder 2],

wonende te [woonplaats],

3. [Verweerder 3],

wonende te [woonplaats],

4. [Verweerster 4],

wonende te [woonplaats],

5. [Verweerster 5],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

niet verschenen,

e n

6. [Verweerder 6],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: aanvankelijk Mr. J. van Duijvendijk-Brand, later niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerders in cassatie sub 1 en 2 - verder te noemen: [verweerders 1 en 2] - hebben bij exploot van 21 oktober 1992 verweerder in cassatie sub 3, eiser tot cassatie sub 1, en verweerders in cassatie sub 4 tot en met 6 - verder respectievelijk te noemen: [verweerder 3], [eiser 1], [verweerders 4 t/m 6] - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Hertogenbosch en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. de nalatenschap van [betrokkene 1 en 2] op zodanige wijze te verdelen als billijk wordt geacht met dien verstande dat aan [verweerder 4] wordt toegescheiden het woonhuis aan de [a-straat 1] met tuin (kadastraal bekend gemeente Sint Oedenrode sectie [A] nummer [001], grootte 7 aren en 87 centiaren) en aan [verweerders 1 en 2], te dezen de erven [betrokkene 3] vertegenwoordigend, het perceel weiland (kadastraal bekend gemeente Sint Oedenrode sectie [B] nummer [002] grootte 2 ha. 76 aren en 70 centiaren) en voor het overige te gelasten de openbare verkoop en de verdeling van de verkoopopbrengst over alle erven gelijk dan wel de verdeling te bepalen op een zodanige wijze dat de erven na de verdeling beschikken over een gelijk vermogensbestanddeel op basis van een waardering door een door de rechtbank te benoemen beëdigd taxateur met inachtneming van de desgewenst door de rechtbank te formuleren richtlijnen voor de taxatie;

2. het vennootschapsvermogen van de ontbonden vennootschap onder firma "[C]" op zodanige wijze te scheiden en te delen als billijk wordt geacht met dien verstande dat aan [verweerder 6] wordt toegescheiden het gedeelte van de tot "Buitenrust" behorende grond dat gelegen is tussen de twee aan hem in eigendom toebehorende percelen en overigens te gelasten dat het perceel "Buitenrust" openbaar wordt verkocht en de verkoop opbrengst gelijke over de vennoten wordt verdeeld met verrekening van de waarde van het perceelsgedeelte dat aan [verweerder 6] wordt toegescheiden dan wel de verdeling te bepalen op een zodanige wijze dat de vennoten na verdeling beschikken over een gelijk vermogensbestanddeel op basis van een waardering door een door de rechtbank te benoemen beëdigd taxateur met inachtneming van de desgewenst door de rechtbank te formuleren richtlijnen voor de taxatie.

[Verweerder 6] heeft ingestemd met hetgeen [verweerders 1 en 2] onder 1 hebben gevorderd en zelfstandig gevorderd:

a. ten aanzien van het vennootschapsvermogen van de ontbonden vennootschap onder firma ([C]) het daartoe behorende perceel "Buitenrust" in zijn totaliteit aan hem toe te delen op basis van waardering door een door de rechtbank te benoemen beëdigd taxateur met inachtneming van de desgewenst door de rechtbank te formuleren richtlijnen voor de taxatie, en

b. voor het overige het vennootschapsvermogen toe te delen zoals dat wordt vastgesteld, eventueel door een door de rechtbank te benoemen deskundige, bestaande uit onder meer de in de conclusie genoemde spaartegoeden en rekening houdende met de eventuele vorderingen die blijken uit de laatste balans.

[Eiser 1] heeft in (voorwaardelijke) reconventie gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad (1) de nalatenschap van [betrokkene 1 en 2] en (2) het vennootschapsvermogen van de ontbonden vennootschap onder firma "[C]" op de in de conclusie aangegeven wijze te verdelen.

[Verweerders 1 en 2] hebben de vorderingen in (voorwaardelijke) reconventie bestreden.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 10 september 1993 een comparitie van partijen gelast en bij tussenvonnis van 13 januari 1995 de zaak naar de rol verwezen voor akte uitlating door ieder van partijen.

Na aktewisseling door partijen heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 1 december 1995 een deskundigenonderzoek bevolen en een deskundige benoemd.

Na deskundigenbericht heeft de rechtbank bij vonnis van 7 maart 1997 bepaald dat de in het dictum van dit vonnis beschreven vrijstaand woonhuis met tuin/erf aan de [a-straat 1] te [plaats] onderhands wordt verkocht voor ten minste ƒ 335.000,--, dat een perceel grond aan de [b-straat 1] te [plaats] met de daarop aanwezige opstallen en opstanden voor een prijs van ƒ 401.000,-- aan een in het vonnis genoemde derde wordt verkocht, tenzij [verweerder 6] binnen veertien dagen schriftelijk verklaart dat toedeling van die zaak wenst voor die prijs, en dat de netto-opbrengst van deze verkopen op een rentegevende rekening van de notaris wordt gestort, en een nadere schriftelijke toelichting door de deskundige bevolen ter zake van de in het dictum vermelde verpachte percelen.

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard eindvonnis van 18 juli 1997 heeft de rechtbank zowel ten aanzien van de nalatenschap als ten aanzien van het vennootschapsvermogen de verdelingen vastgesteld op de wijze als in het dictum van dit vonnis is aangegeven. De rechtbank heeft in haar eindvonnis tevens de wijze bepaald waarop de (met name genoemde) overbedeelde deelgenoten ten behoeve van de (met name genoemde) deelgenoten de bedragen dienen te voldoen van hun overbedeling en dat iedere deelgenoot zijn deel van de kosten van de deskundige betaalt alsmede van de kosten verbonden aan de uitvoering van de verdeling.

Tegen de vonnissen van 10 september 1993, 13 januari 1995, 1 december 1995, 7 maart 1997 en 18 juli 1997 heeft [eiser 1] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Daarbij heeft hij primair - kort gezegd - gevorderd te bepalen dat alle litigieuze onroerende zaken alsnog ten overstaan van een notaris openbaar worden verkocht en dat de verkoopopbrengst tussen de deelgenoten in gelijke delen wordt verdeeld.

[Verweerder 3] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. [Verweerders 1 en 2] hebben bevestiging van de bestreden vonnissen gevorderd en in het incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot referte.

[Verweerder 6] heeft het principaal hoger beroep van [eiser 1] en het incidenteel hoger beroep van [verweerder 3] bestreden.

Bij tussenarrest van 27 maart 2000 heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte aan de zijde van [eiser 1].

Vervolgens hebben thans eisers tot cassatie sub 2 en 3 - verder te noemen: [eisers 2 en 3] - een incidentele conclusie tot tussenkomst genomen.

Het hof heeft bij tussenarrest van 25 september 2000 in het incident [eisers 2 en 3] als tussenkomende partijen in het geding toegelaten en in het principaal en incidenteel appel de zaak naar de rol verwezen opdat partijen bij memorie na tussenarrest zich zouden kunnen uitlaten over het aantal en de persoon van de te benoemen deskundige(n) en over de in het arrest in concept geformuleerde vragen.

Bij tussenarrest van 18 juni 2001 heeft het hof een deskundigenonderzoek gelast, een deskundige benoemd en twee vragen geformuleerd, bij tussenarrest van 15 oktober 2001 heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor uitlating door partijen over een nieuw te benoemen deskundige en bij tussenarrest van 25 februari 2002 heeft het hof een andere deskundige benoemd.

Na deskundigenbericht heeft het hof bij eindarrest van 23 september 2003 de vonnissen van de rechtbank van 10 september 1993, 13 januari 1995, 1 december 1995 en 7 maart 1997 bekrachtigd, het eindvonnis van de rechtbank, voor zover daarin is beslist in het dictum onder Ii, Iii, Ivii en Iviii, vernietigd en, in zoverre opnieuw rechtdoende, opnieuw de verdeling van bedoelde zaken vastgesteld tegen de waarde per 18 juli 1997 met een aan deze waarden aangepaste vaststelling van de overbedelingsvorderingen.

De arresten van het hof van 25 september 2000, 18 juni 2001, 15 oktober 2001, 25 februari 2002 en 23 september 2003 zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de vijf laatstvermelde arresten van het hof hebben [eisers] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaardingen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

[Verweerder 6] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De advocaat van [verweerder 6] heeft zich in de loop van de procedure als zodanig onttrokken.

Tegen de niet verschenen overige vijf verweerders in cassatie is verstek verleend.

De zaak is voor [eisers] toegelicht door hun advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot vernietiging van de bestreden arresten en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In geschil is in deze zaak de verdeling op de voet van art. 3:185 lid 1 BW van, voorzover in cassatie van belang, een aantal onroerende zaken, door het hof aangeduid en hierna eveneens aan te duiden als de objecten a - h, die behoren tot de nalatenschap van de (groot)moeder van de procespartijen en een onroerende zaak (door het hof aangeduid en hierna eveneens aan te duiden als object i die behoort tot het vermogen van de ontbonden vennootschap onder firma "[C]".

3.2 De rechtbank heeft, na tussenvonnissen te hebben gewezen op 10 september 1993, 13 januari 1995 en 1 december 1995, in het dictum van haar vonnis van 7 maart 1997 bepaald dat object a door tussenkomst van makelaar [betrokkene 4] te [plaats] onderhands wordt verkocht voor ten minste ƒ 335.000,-- en dat object i voor ƒ 401.000,-- aan een derde zal worden verkocht, tenzij [verweerder 6] binnen veertien dagen schriftelijk zal verklaren dat hij toedeling van dat object wenst voor die prijs.

3.3 Bij eindvonnis van 18 juli 1997 heeft de rechtbank object b toegedeeld aan [verweerders 1 en 2], handelend namens de erven [betrokkene 3] en de objecten c, e, f, g en h aan [verweerder 3], telkens voor de door [betrokkene 4] in maart/april 1996 getaxeerde waarden. Ten aanzien van object d bepaalde de rechtbank dat dit onderhands zal worden verkocht voor ten minste ƒ 342.480,-- (pachtvrij) respectievelijk ƒ 325.740,-- (niet pachtvrij). De rechtbank deelde object i voor een waarde van ƒ 401.000,-- toe aan [verweerder 6].

3.4 Het hof heeft, na vijf tussenarresten te hebben gewezen, in zijn eindarrest de vonnissen van de rechtbank van 10 september 1993, 13 januari 1995, 1 december 1995 en 7 maart 1997 bekrachtigd, doch het eindvonnis ten dele vernietigd en in zoverre opnieuw rechtdoende object b opnieuw toegedeeld aan [verweerders 1 en 2], handelend namens de erven [betrokkene 3], en de objecten c, e, f, g en h opnieuw en object d alsnog toegedeeld aan [verweerder 3]. Daarnaast heeft het hof aangegeven hoe de over- en onderwaarden verrekend moeten worden.

3.5 Het hof gaf aan de objecten die het in zijn eindarrest toedeelde, andere waarden dan de rechtbank daaraan had toegekend, en wel de waarden die deze objecten, naar het oordeel van het hof, hadden op de datum van het eindvonnis van de rechtbank (18 juli 1997). Dit omdat, aldus het hof (rov. 8.3 van het tussenarrest van 25 september 2000), verdeling van de activa volgens vaste rechtspraak dient te geschieden op basis van de waarde van die activa op het moment van verdeling. Als datum van verdeling geldt naar het oordeel van het hof (rov. 11.3 van het tussenarrest van 18 juni 2001) 18 juli 1997, de datum van het eindvonnis van de rechtbank.

3.6 De klacht van onderdeel 1 houdt in dat het hof aldus oordelende weliswaar terecht als uitgangspunt heeft gehanteerd dat voor de waardering moet worden uitgegaan van het tijdstip van de verdeling, maar niettemin van een onjuiste rechtsopvatting blijk heeft gegeven door te miskennen dat de datum van het vonnis waarbij de verdeling tot stand is gebracht alleen als tijdstip van de verdeling en waardepeildatum kan gelden indien de bij dat vonnis totstandgebrachte verdeling zèlf in hoger beroep niet meer aan de orde is gesteld.

3.7 Het onderdeel slaagt voorzover het de verdeling van de tot de nalatenschap van de (groot)moeder van de proces-partijen behorende objecten b - h aangaat. In diens appelgrieven I tot en met III heeft [eiser 1] aangevoerd dat de rechtbank openbare verkoop van de onroerende zaken had moeten gelasten teneinde een eerlijke en objectieve prijs te verkrijgen. Ook heeft het hof object d, waarvan de rechtbank bepaald had dat het onderhands zou worden verkocht, alsnog toegedeeld aan [verweerder 3]. De verdeling van genoemde onroerende zaken was derhalve in hoger beroep opnieuw aan de orde. Dit brengt mee dat het hof in beginsel als tijdstip van verdeling had moeten aanmerken de datum van zijn eindarrest (23 september 2003) en dat het hof die datum in beginsel ook als peildatum voor de waardering van de toe te delen zaken had moeten nemen.

3.8 Wat betreft het tot het vermogen van de ontbonden vennootschap onder firma behorende object i faalt het onderdeel. Ten aanzien van dit object heeft het hof in zijn tussenarrest van 18 juni 2001 overwogen dat het aanleiding ziet om uit oogpunt van redelijkheid en billijkheid [verweerder 6] niet te belasten met het risico dat hij nog zal worden geconfronteerd met een verplichting tot nabetaling aan de boedel van de ontbonden vennootschap onder firma waartoe object i heeft behoord. Dit, in cassatie niet als zodanig bestreden, oordeel van het hof wordt, anders dan onderdeel 5 van het middel aanvoert, niet aangetast door het slagen van onderdeel 1. Ook onderdeel 5 faalt derhalve.

3.9 De overige onderdelen behoeven geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de arresten van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 25 september 2000, 18 juni 2001, 15 oktober 2001, 25 februari 2002 en 23 september 2003;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, P.C. Kop, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 24 juni 2005.