Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AS8387

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-06-2005
Datum publicatie
10-06-2005
Zaaknummer
C03/310HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AS8387
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

10 juni 2005 Eerste Kamer Nr. C03/310HR RM Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. S.F. Sagel, t e g e n 1. [Verweerster 1], handelende onder de naam GRILLROOM RAMSES II, gevestigd te [vestigingsplaats], 2. [Verweerder 2], wonende te [woonplaats], 3. [Verweerder 3], wonende te [woonplaats], VERWEERDERS in cassatie, advocaat: mr. R.T.R.F. Carli. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 352
NJ 2005, 395
RAR 2005, 79
RvdW 2005, 84
Ondernemingsrecht 2005, 171 met annotatie van F.B.J. Grapperhaus
SR 2005, 55 met annotatie van A.F. Bungener
Arbeidsrecht in 50 uitspraken 2010, p. 257 met annotatie van F.B.J. Grapperhaus
JWB 2005/217
JAR 2005/157 met annotatie van Prof. mr. E. Verhulp
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 juni 2005

Eerste Kamer

Nr. C03/310HR

RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. S.F. Sagel,

t e g e n

1. [Verweerster 1], handelende onder de naam GRILLROOM RAMSES II,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [Verweerder 2],

wonende te [woonplaats],

3. [Verweerder 3],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. R.T.R.F. Carli.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 13 maart 2002 verweerders in cassatie - verder te noemen: [verweerder] c.s. - gedagvaard voor de rechtbank te Leeuwarden, sector kanton (hierna: de kantonrechter), en gevorderd:

1. € 13.655,66 bruto aan gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatig ontslag;

2. € 770,14 bruto ter zake van achterstallig loon en vakantietoeslag;

3. de wettelijke rente over de sub 1 en 2 genoemde bedragen vanaf 1 januari 2002;

4. een wettelijke verhoging over het gevorderde sub 2.

[Verweerder] c.s. hebben de vordering bestreden.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 4 juni 2002 de vorderingen toegewezen.

Tegen dit vonnis hebben [verweerder] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden.

Bij arrest van 3 september 2003 heeft het hof het vonnis waarvan beroep met uitzondering van de veroordeling van [verweerder] c.s. tot betaling van een bedrag van € 770,14 bruto ter zake van achterstallig loon en vakantiebijslag vernietigd. In zoverre opnieuw rechtdoende heeft het hof de vordering voorzover het de toegekende (gefixeerde) schadevergoeding wegens onregelmatig ontslag betreft alsnog afgewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing ter verder behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser] is met ingang van 1 augustus 2001 bij [verweerder] c.s. in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, namelijk tot 1 augustus 2002.

(ii) Ter zake van de arbeidsovereenkomst is door partijen op 1 augustus 2001 een schriftelijk arbeidscontract opgemaakt.

(iii) [Eiser] heeft zijn werkzaamheden in de horecagelegenheid van [verweerder] c.s. op het adres [a-straat 1] te [vestigingsplaats] verricht. Hij is feitelijk tot en met 6 november 2001 werkzaam geweest.

(iv) Een brief van 26 november 2001, door [verweerder 2] aan [eiser] gericht, houdt onder meer in:

"Op 01 augustus 2001 bent u in dienst gekomen bij ons bedrijf Grillroom Ramses II. U bent op 07 november 2001 niet meer op uw werk verschenen. U bent ettelijke malen telefonisch en persoonlijk benadert door mij, [verweerder 2], om te gaan werken. U heeft aan deze verzoeken geen gehoor gegeven en mij, medegedeeld dat u niet meer als werknemer bij Grillroom II terugkeert.

Wij zijn tot de conclusie gekomen dat de arbeidsovereenkomst per 07 november ontbonden is.

U ontvangt de eindafrekening één dezer dagen."

(v) Een brief van 7 december 2001 - door mr. R. Raap, Bureau voor Rechtshulp te Drachten, gericht aan [verweerder 2] - houdt onder meer in:

"Tot ons Buro heeft zich gewend [eiser] te [woonplaats] in verband met uw schrijven d.d. 26 november jl. (..) Op 6 november jl. is cliënt 's avonds omstreeks half negen naar huis gegaan omdat hij zich niet in staat achtte verder te werken in verband met arbeidsongeschiktheid. De volgende dag heeft hij zowel met de Arbo-dienst als met uw broer contact opgenomen om te melden dat hij arbeidsongeschikt was. Uw broer, die u op dat moment verving omdat u zelf wegens vakantie afwezig was, wilde deze ziekmelding niet accepteren. Toen uzelf terug was gekomen van vakantie heeft cliënt meerdere malen met u contact gehad waarin hij ook steeds heeft gemeld dat hij ziek was. Cliënt heeft nooit gezegd dat hij niet weer wilde terugkeren. Omdat zijn dienstverband pas per 1 augustus 2002 had kunnen eindigen is het door u gegeven ontslag onregelmatig, en dit verplicht u tot betaling van een schadeloosstelling die gelijk is aan het loon vanaf de datum van ontslag tot 1 augustus 2002. Namens cliënt sommeer ik u deze schadeloosstelling te voldoen, en wel binnen twee weken na heden. Tevens sommeer ik u het achterstallige loon tot 7 november te voldoen, alsmede de eindafrekening ter zake van vakantietoeslag tot die datum. Bij de schadeloosstelling vanaf 7 november dient overigens de vakantietoeslag te zijn inbegrepen."

3.2 Aan zijn hiervoor in 1 vermelde vordering heeft [eiser], voorzover in cassatie van belang, ten grondslag gelegd dat [verweerder] c.s. de overeenkomst bij de hiervoor onder 2 (iv) vermelde brief van 26 november 2001 hebben opgezegd, dat deze opzegging onregelmatig is en [verweerder] c.s. daarom tot schadevergoeding verplicht is. Tot hun verweer hebben [verweerder] c.s. aangevoerd dat [eiser] op 7 november 2001 is weggelopen en nadien niet meer wilde terugkomen en (aldus) zelf een einde heeft gemaakt aan de arbeidsovereenkomst. Nadat de kantonrechter de vordering had toegewezen, heeft het hof die afgewezen. Het hof heeft naar aanleiding van het door [verweerder] c.s. in hoger beroep herhaalde verweer dat niet zij de arbeidsovereenkomst hebben beëindigd maar [eiser] zelf, overwogen dat het had te beslissen of de bedoelde brief van 26 november 2001 al dan niet een opzegging van de zijde van [verweerder] c.s. behelst. Bij de beantwoording van die vraag stelde het hof voorop (in rov. 5) dat voor de opzegging van een arbeidsovereenkomst een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring is vereist, die erop is gericht de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. Volgens het hof geldt dat niet alleen voor de opzegging van de zijde van de werknemer, maar ook ten aanzien van die van de zijde van de werkgever. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat niet gezegd kan worden dat bedoelde brief van 26 november 2001 een zodanige verklaring behelst, en dat het voor rekening van [eiser] moet blijven dat hij die brief kennelijk wel als een opzegging heeft opgevat.

3.3 Onderdeel 1 van het hiertegen gerichte middel houdt de klacht in dat het hof, gelet op hetgeen het in rov. 5 heeft vooropgesteld, namelijk dat niet alleen voor de opzegging door de werknemer doch ook voor de opzegging door de werkgever geldt dat een "duidelijke en ondubbelzinnige" verklaring is vereist die erop is gericht de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen, een onjuist, want te beperkt, criterium heeft gehanteerd bij de beoordeling of sprake is van opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever. De ratio van de leer volgens welke aan een opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer bijzonder strenge eisen worden gesteld - welke ratio daarin is gelegen dat een vrijwillige beëindiging door de werknemer van zijn dienstbetrekking voor deze zeer ernstige gevolgen heeft - geldt immers niet bij een opzegging door de werkgever, zodat de vraag of de werkgever de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, moet worden beantwoord op de voet van art. 3:35 BW wanneer de werkgever betwist dat hij daartoe de bedoeling had. Een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van de werkgever is niet - althans niet per definitie - vereist, aldus het onderdeel.

3.4 Het onderdeel is gegrond. De volgens vaste rechtspraak geldende strenge maatstaf ter beantwoording van de vraag of een werknemer zijn dienstbetrekking vrijwillig heeft willen beëindigen, dient inderdaad ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor hem kan hebben, kort gezegd het verloren gaan van de mogelijkheid zich op ontslagbescherming te beroepen, en het mogelijk verlies van aanspraken ingevolge de sociale zekerheidswetgeving, met name een werkloosheidsuitkering. In verband met die ernstige gevolgen zal de werkgever niet spoedig mogen aannemen dat een verklaring van de werknemer is gericht op vrijwillige beëindiging van de dienstbetrekking. Waar het gaat om de beantwoording van de vraag of een door de werkgever afgelegde verklaring strekt tot beëindiging van de dienstbetrekking zijn ernstige gevolgen zoals hiervoor vermeld niet aan de orde. Er is daarom geen reden een dergelijke verklaring, indien de werknemer deze heeft opgevat als gericht op de beëindiging van de dienstbetrekking, maar de werkgever zich op het standpunt stelt dat die verklaring niet die strekking had, anders te beoordelen dan aan de hand van de maatstaf van art. 3:33 en 3:35 BW. Een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van de werkgever is niet vereist. Het hof is derhalve uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.

3.5 Nu onderdeel 1 gegrond is bevonden, behoeft onderdeel 2 geen behandeling meer.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Leeuwarden van 3 september 2003;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 2.094,38 in totaal, waarvan € 1.916,88 op de voet van art. 243 Rv. te betalen aan de Griffier, en € 177,50 aan [eiser].

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman, P.C. Kop en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 10 juni 2005.