Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AS7592

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-04-2005
Datum publicatie
05-04-2005
Zaaknummer
00057/04
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AS7592
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Denaturering getuigenverklaring. Bewezenverklaard is dat verdachte tegen het slachtoffer heeft gezegd: "Hou je mond anders kun je klappen beuren". Het tot het bewijs gebezigde politie-pv houdt als verklaring van het slachtoffer in dat verdachtes mededader hem deze woorden heeft toegevoegd. 's Hofs weergave in de bewijsmiddelen van deze verklaring luidt als volgt: "Er werd mij verteld dat ik mijn mond moest houden, omdat ik anders klappen kon beuren".

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 198
NBSTRAF 2005/198
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 april 2005

Strafkamer

nr. 00057/04

IV/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 22 juli 2003, nummer 20/000915-02, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in het Huis van Bewaring "Grave".

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 4 april 2002 - de verdachte ter zake van 1. "diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, gevolgd van geweld, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen" en 2. "diefstal door twee of meer verenigde personen" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.C. Oudijk, advocaat te Venlo, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het derde middel

3.1. Het middel bevat onder meer de klacht dat het Hof de verklaring van de getuige [slachtoffer 1] heeft gedenatureerd.

3.2. Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 bewezen verklaard dat hij:

"op 7 november 2001 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een bromscooter, (merk Aprillia type SR) toebehorende aan [slachtoffer 1], waarbij verdachte die bromscooter onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, te weten door het verwijderen van het contactslot van die bromscooter en welke diefstal werd gevolgd van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte die [slachtoffer 1] (op dreigende wijze) de woorden heeft toegevoegd: Hou je mond, anders kun je klappen beuren", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en (vervolgens) opzettelijk dreigend die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] een schroevendraaier heeft getoond/voorgehouden."

3.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]:

"7 november 2001 was ik in de C1000 aan het Kastelenplein te Eindhoven. Ik was daar gekomen met mijn bromscooter, een Aprillia, type SR. Ik had de brommer voor de Cl000 op het stuurslot gezet met een kettingslot aan het achterwiel. Ik hoorde toen ik binnen was, dat iemand mijn brommer aan het stelen was en ik ging naar buiten. Ik zag, dat iemand met mijn brommer wegliep. Ik liep hem achterna. Hij gooide vervolgens de brommer op de grond en rende weg. Ik rende achter hem aan. Er kwam een jongen op een zwarte Italjet op mij afgereden. Ik had het idee dat die jongen op die Italjet bij de andere jongen hoorde. Er werd mij verteld dat ik mijn mond moest houden, omdat ik anders klappen kon beuren. Ik rende achter die eerste jongen aan. Hij stopte en draaide zich om en ik zag dat hij uit zijn binnenzak een grote schroevendraaier pakte. Hij hield deze schroevendraaier in zijn hand en wilde naar mij uithalen. Hij zei: kom maar. Ik was op dat moment bang dat hij mij zou gaan steken en daarom deed ik een stap terug. Er was ook een vriend van mij bij en die ging ook terug voor die jongen. Zijn naam is [slachtoffer 3]. Ik liep vervolgens naar mijn brommer en zag dat het kontaktslot in zijn geheel was uitgenomen. De jongen die mijn brommer wilde stelen droeg een gebreide muts."

b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3]:

"Op 7 november 2001 bevond ik mij met [slachtoffer 1] in het winkelcentrum Kastelenplein te Eindhoven. Nadat wij onze bromfietsen bij de C1000 hadden gestald, gingen wij naar binnen. Wij liepen weer naar buiten. Ik zag dat een jongen met een van onze bromfietsen wegliep. [Slachtoffer 1] en ik renden achter die jongen aan. Ik zag dat hij omkeek en vervolgens de bromfiets losliet. Het bleek de bromfiets van [slachtoffer 1] te zijn. Ik liep achter die jongen aan. Ik zag, dat hij stil bleef staan en zich in mijn richting draaide. Ik zag, dat hij een schroevendraaier vasthield. Hij haalde met die schroevendraaier uit in mijn richting. Ik schrok ervan. Toen ik dus van die jongen vandaan liep, zag ik een andere persoon bij [slachtoffer 1] staan. Deze jongen reed hierna weg. Hij reed op een zwarte bromfiets van het merk Italjet."

c. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"Op 7 november 2001 heb ik op het Kastelenplein te Eindhoven een bromscooter van het merk Aprillia gestolen. Ik was met iemand anders. De jongen met wie ik was en ik wilden met zijn tweeën een brommer weghalen. Ik heb het slot van de brommer afgetrokken met een slotentrekker. Ik ben toen met de brommer in de hand weggelopen. Toen er iemand achter me aankwam, heb ik de brommer laten vallen. Ik had een schroevendraaier in mijn hand."

3.4. De hiervoor onder a weergegeven verklaring van [slachtoffer 1] luidt blijkens het desbetreffende proces-verbaal van politie, voor zover hier van belang, als volgt:

"(...) Ik hoorde toen ik binnen was, dat iemand mijn brommer aan het stelen was en ik ging naar buiten. Ik zag, dat iemand met mijn brommer wegliep. (...) Ik liep hem achterna en dit zag hij. Hij gooide vervolgens mijn brommer op de grond zodat ik over mijn eigen brommer viel. Hij rende weg. Ik rende vervolgens hem weer achterna (...). Van mij uit gezien van rechts kwam een grote jongen op een zwarte Italjet op mij afgereden. Ik had het idee dat die jongen op die Italjet bij de andere jongen hoorde. (...) De jongen op die brommer zei toen tegen mij dat ik mijn mond moest houden, omdat ik anders klappen kon beuren. (...)"

3.5. Het was het Hof niet toegestaan bedoelde verklaring, voor zover luidende "De jongen op die brommer zei toen tegen mij dat ik mijn mond moest houden, omdat ik anders klappen kon beuren" weer te geven met de woorden "Er werd mij verteld dat ik mijn mond moest houden, omdat ik anders klappen kon beuren". In het licht van de bewezenverklaring, die inhoudt dat de verdachte deze woorden tegen [slachtoffer 1] heeft gesproken, in welke zin het Hof die verklaring kennelijk heeft uitgelegd, heeft het Hof aldus een andere feitelijke inhoud gegeven aan de verklaring van [slachtoffer 1], die heeft verklaard dat deze woorden hem door de medeverdachte werden toegevoegd. De bewezenverklaring is dus onvoldoende met redenen omkleed.

3.6. Voorzover het middel hierover klaagt, is het gegrond

4. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het eerste middel voor het overige geen bespreking behoeft en dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit en de strafoplegging;

Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.S. Holthuis, en uitgesproken op 5 april 2005.