Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AS7572

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-04-2005
Datum publicatie
05-04-2005
Zaaknummer
02582/04
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AS7572
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

OM-cassatie tegen vrijspraak. Jagers werden gecontroleerd door boa's (A en B) zonder opsporingsbevoegdheid (want nog niet beëdigd) en vervolgens door bevoegde opsporingsambtenaren. HR: Bewijsuitsluiting kan als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg uitsluitend aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen en voorts door de onrechtmatige bewijsgaring een (belangrijk) strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Zulks moet worden beoordeeld in het licht van de wettelijke beoordelingsfactoren van art. 359a.2 Sv en van de omstandigheden van het geval (HR NJ 2004, 376). Het oordeel van het hof dat zich hier een dergelijk geval voordoet is ontoereikend gemotiveerd, reeds omdat zonder nadere motivering niet begrijpelijk is waarom het "overige, opvolgende" bewijsmateriaal als resultaat van het optreden van de ambtenaren A en B en als onrechtmatig verkregen zou moeten worden aangemerkt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 359a
Flora- en faunawet
Flora- en faunawet 50
Flora- en faunawet 65
Flora- en faunawet 67
Flora- en faunawet 68
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 203
NJ 2005, 300
JM 2005/100 met annotatie van Koopmans
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 april 2005

Strafkamer

nr. 02582/04

AGJ/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, van 10 mei 2004, nummer 21/004071-03, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1931, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank te Arnhem van 4 september 2003 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1 en 2 tenlastegelegde en voorts de onttrekking aan het verkeer bevolen zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, behoudens ten aanzien van de vrijspraak ter zake van hetgeen de verdachte onder 2 is tenlastegelegd, met verwijzing of terugwijzing van de zaak opdat die op het bestaande hoger beroep, voorzover de zaak nog aan het oordeel van de feitenrechter onderworpen zal zijn en met inachtneming van de aanwijzingen die de Hoge Raad zal geven, opnieuw zal worden berecht en afgedaan. Na de terechtzitting waarop de conclusie is genomen, is bij de Hoge Raad ingekomen een schrijven van de verdachte.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel bevat onder meer de klacht dat het Hof de verdachte heeft vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde "door bewijsmateriaal als onrechtmatig verkregen voor het bewijs uit te sluiten, terwijl die bewijsuitsluiting, voorzover wel terecht, te ruim is genomen".

3.2.1. Aan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd dat:

"hij op of omstreeks 16 januari 2003, in de gemeente Arnhem als degene die zich aan of nabij de Schaapdijk en/of de Rijksweg 12 in het veld ophield, zich tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, zonder gegronde reden met een of meer fretten en/of een of meer buidels heeft bevonden op gronden, waarop hij en/of verdachtes mededaders niet bevoegd was/waren van die middelen gebruik te maken voor de uitoefening van de jacht of in verband met beheer en bestrijding van schade als bedoeld in de artikelen 65, 67 en 68 van de Flora- en faunawet."

3.2.2. Het Hof heeft de verdachte vrijgesproken van het hem onder 1 tenlastegelegde en heeft dienaangaande overwogen:

"Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof het volgende geconstateerd.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

Ik heb op 16 januari 2003 ter hoogte van de Schaapdijk in de gemeente Arnhem tezamen met anderen met behulp van fretten en buidels op konijnen gejaagd. We zijn die dag twee keer gecontroleerd. De eerste twee agenten, die in uniform waren gekleed, zeiden nadat ze onze papieren hadden gezien: "Succes heren, vang er nog een paar!" Later werden wij opnieuw gecontroleerd door de politie, waarna de middelen van de jacht in beslag werden genomen.

R.W.M. Frehe heeft op 6 februari 2003 tegenover verbalisant J. Koning verklaard, zakelijk weergegeven (dossierparagraaf 2.1.4):

Ik ben sinds februari 2002 in dienst bij de Gemeente Arnhem, afdeling Stadsbeheer, afdeling handhaving. Ik ben aangenomen om als buitengewoon opsporingsambtenaar te gaan fungeren. Ik heb mijn Boa diploma gehaald in de maand

februari 2002. Mijn opsporingsbevoegdheid is inmiddels aangevraagd echter nog niet verleend. Ik ben derhalve nog niet beëdigd.

Op donderdag 16 januari 2003, omstreeks 11.30 uur, surveilleerde ik samen met mijn collega Erwin Jansen, die eveneens nog niet is beëdigd als buitengewoon opsporingsambtenaar, in uniform met het door de dienst verstrekte dienstvoertuig over de rijbaan van de Schaapdijk te Arnhem. Aldaar zagen wij een vijftal op jagers gelijkende mannen. Wij zagen dat de mannen bezig waren om een net te plaatsen. Wij vroegen de mannen wat zij ter plaatse deden. De mannen verklaarden ons konijnen te vangen voor Rijkswaterstaat in verband met de schade aan de dijk. Ik vroeg aan de mannen of zij een vergunning hadden om deze handelingen te verrichten. Een van de mannen verklaarde mij dat hij bevoegd was en dat hij de vergunning kon tonen. Ik liep met de man mee naar de auto waar hij verschillende documenten toonde. Vervolgens gingen wij, Jansen en ik, verder met onze surveillance.

Ik realiseer mij nu dat ik de controle beter niet had kunnen uitvoeren, mede om reden dat ik niet bevoegd ben als opsporingsambtenaar ingevolge de Flora- en Faunawet.

E.P. Jansen verklaarde op 10 februari 2003 tegenover verbalisant J. Koning als volgt, zakelijk weergegeven (dossierparagraaf 2.1.5):

Ik ben in de functie van toezichthouder in dienst bij de gemeente Arnhem bij de afdeling Milieuhandhaving. Ik ben in het bezit van een diploma buitengewoon opsporingsambtenaar, doch ik ben niet bevoegd omdat ik nog niet beëdigd ben. Op donderdag 16 januari 2003, omstreeks 11.45 uur, surveilleerde ik samen met collega Rob Frehe, in uniform, met het dienstvoertuig op de openbare weg, de Schaapdijk te Arnhem. Ik zag aan het begin van de Schaapdijk een vijftal mannen in het weiland lopen. Mijn collega gaf aan dat we gingen kijken waarmede de mannen bezig waren. Ik zag dat aan collega Frehe een aantal bescheiden werd getoond. Wij hebben ons niet gelegitimeerd, doch hebben de mannen te kennen gegeven dat wij van de afdeling milieuhandhaving waren. Vervolgens liepen wij naar het dienstvoertuig en vervolgden onze surveillance.

In het proces-verbaal van bevindingen merken de verbalisanten J. Koning, P.F. Leenart en A. Leferink op, zakelijk weergegeven:

Op donderdag 16 januari 2003, omstreeks 14.30 uur, werd ik, verbalisant Leenart, getipt dat er in de omgeving van de Schaapdijk te Arnhem door vijf mannen gefretteerd werd, waarbij gebruik werd gemaakt van verboden middelen, te weten: staande vangnetten. Ik, Leenart, ging ter plaatse en vroeg middels telefoon assistentie van de politie. Ter plaatse aangekomen, zagen wij dat er op het talud van de Schaapdijk te Arnhem twee mannen aan het jagen waren en drie mannen op het talud van de Rijksweg 12-zuid te Arnhem. Ter vaststelling of zij bevoegd waren te jagen, vroegen wij hen naar de bescheiden, te weten grondgebruikersverklaringen. Ik deelde [verdachte] mede achteraf bij de grondgebruikers te verifiëren of de mannen bevoegd waren tot het fretteren op de gronden waar zij jaagden.

Uit voornoemde verklaringen, in onderlinge samenhang en verband bezien, is aannemelijk dat de verdachte en zijn medejagers, tevens medeverdachten - nadat hun papieren ten onrechte door niet bevoegde ambtenaren waren gecontroleerd - wederom aan een controle zijn onderworpen. Het hof acht het niet onwaarschijnlijk dat de onbevoegde ambtenaren later alsnog de bevoegde opsporingsambtenaren hebben getipt dat de jagers niet bevoegd waren ter plaatse te jagen, waarna een tweede controle - zonder voorafgaande cautie - heeft plaatsgevonden. De constateringen van de heren Frehe en Jansen dat de verdachte niet in het bezit was van de juiste papieren en het overige, opvolgende, uit dat onrechtmatig optreden verkregen bewijsmateriaal dienen dan ook als onrechtmatig verkregen van het bewijs te worden uitgesloten."

3.3. De overwegingen van het Hof moeten aldus worden verstaan dat het onderhavige optreden van de niet tot opsporing bevoegde ambtenaren R.W.M. Frehe en E.P. Jansen een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a Sv vormt en dat dit verzuim van dien aard is dat de resultaten van zowel het door hen als het nadien door de bevoegde opsporingsambtenaren J. Koning, P.F. Leenart en A. Leferink verrichte opsporingsonderzoek niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde feit.

3.4. Vooropgesteld moet worden dat bewijsuitsluiting als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg uitsluitend aan de orde kan komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen en voorts door de onrechtmatige bewijsgaring een (belangrijk) strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden en dat zulks moet worden beoordeeld in het licht van de wettelijke beoordelingsfactoren van art. 359a, tweede lid, Sv en van de omstandigheden van het geval (vgl. HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376, rov. 3.6.4).

3.5. In het licht hiervan is het oordeel van het Hof dat zich hier een dergelijk geval voordoet ontoereikend gemotiveerd, reeds omdat zonder nadere motivering niet begrijpelijk is waarom het "overige, opvolgende" bewijsmateriaal als resultaat van het optreden van de ambtenaren Frehe en Jansen en als onrechtmatig verkregen zou moeten worden aangemerkt. Voorzover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld.

4. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de beslissingen omtrent de inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen;

Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 5 april 2005.