Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AS7199

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-02-2005
Datum publicatie
19-07-2007
Zaaknummer
00065/05 H
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 februari 2005

Strafkamer

nr. 00065/05 H

IV

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 4 maart 2004, nummer 23/001538-03, ingediend door mr. G.P. Hamer, advocaat te Amsterdam, namens:

[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, ten tijde van de indiening van de aanvrage verblijvende in het Huis van Bewaring te Lelystad.

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 21 maart 2003 - de aanvrager ter zake van "diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren", voorzover voor de beoordeling van de aanvrage van belang, veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden, met last tot terbeschikkingstelling en bevel tot verpleging van overheidswege.

2. De aanvrage tot herziening

De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de aanvrage

3.1. In de aanvrage, die op 12 januari 2005 bij de Hoge Raad is ingekomen, wordt aangevoerd dat voormeld arrest van het Hof "sedert ongeveer 18 maart 2004 onherroepelijk is en verzoeker nog steeds als passant in hechtenis verblijft, zulks nu hij niet geplaatst is in een passende instelling" en dat, ware destijds reeds bekend geweest dat - naar wordt gesteld - de Staat de last tot terbeschikkingstelling (kennelijk) niet, althans niet tijdig, wenste ten uitvoer te leggen, "het Hof zeer vermoedelijk geen terbeschikkingstelling had opgelegd, althans niet opgelegd had een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden en een terbeschikkingstelling". Voorts wordt in de aanvrage betoogd dat "verzoeker geen eerlijk proces heeft gehad (...) nu de tenuitvoerlegging van een vonnis toch gezien moet worden als een integraal onderdeel van het recht op een eerlijk proces". Aan deze en de overige stellingen van de aanvrage wordt de conclusie verbonden dat sprake is van "een novum als bedoeld in art. 457 lid 2 sub 2 Sv".

3.2. Het in de aanvrage gestelde behelst geen beroep op een novum in de zin van het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv. Als grondslag voor een herziening kunnen krachtens die wetsbepaling immers slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

3.3. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aanvrage, gelet op de art. 459 en 460 Sv, niet kan worden ontvangen.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 15 februari 2005.