Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AS7028

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-06-2005
Datum publicatie
03-06-2005
Zaaknummer
C04/092HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AS7028
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

3 juni 2005 Eerste Kamer Nr. C04/092HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [Eiser 1], wonende te [woonplaats], 2. [Eiser 2], wonende te [woonplaats], 3. [Eiseres 3], wonende te [woonplaats], 4. [Eiseres 4], wonende te [woonplaats], 5. [Eiseres 5], wonende te [woonplaats], EISERS tot cassatie, advocaat: mr. R.A.A. Duk, t e g e n de vennootschap naar buitenlands recht JAPAN AIRLINES CO. LTD., gevestigd te Tokyo, Japan, tevens kantoorhoudende te Amsterdam, VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 324
JWB 2005/205
JAR 2005/173
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 juni 2005

Eerste Kamer

Nr. C04/092HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiser 1],

wonende te [woonplaats],

2. [Eiser 2],

wonende te [woonplaats],

3. [Eiseres 3],

wonende te [woonplaats],

4. [Eiseres 4],

wonende te [woonplaats],

5. [Eiseres 5],

wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. R.A.A. Duk,

t e g e n

de vennootschap naar buitenlands recht

JAPAN AIRLINES CO. LTD.,

gevestigd te Tokyo, Japan, tevens kantoorhoudende te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser] c.s. - hebben bij exploot van 6 september 2000 verweerster in cassatie - verder te noemen: JAL - gedagvaard voor de kantonrechter te Amsterdam en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

A. voor recht te verklaren dat de per 1 augustus 1999 door JAL doorgevoerde eenzijdige wijziging van de reiskostenvergoedingen voor woon-werkverkeer zoals neergelegd in appendix F van het Personnel Manual, niet rechtsgeldig is;

alsmede,

B. JAL te veroordelen om met terugwerkende kracht, vanaf 1 augustus 1999, ten aanzien van de in de dagvaarding genoemde JAL-werknemers, de oude reiskostenvergoedingen voor woon-werkverkeer, zoals neergelegd in de onder A genoemde appendix F van het Personnel Manual, toe te passen en de op grond daarvan nog aan hen verschuldigde bedragen uit te betalen;

en JAL voorts te veroordelen tot betaling aan de JAL-werknemers:

C. de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van 15% van de per JAL-werknemer geldende hoofdsom,

D. vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over bovenstaande bedragen, vanaf de datum van verzuim, 1 augustus 1999, dan wel vanaf de datum van de eerste sommatie, 14 september 1999, dan wel vanaf een door de kantonrechter in goede justitie nader te bepalen datum, tot en met de dag der algehele voldoening,

E. alsmede vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 e.v. BW over zowel bovenstaande bedragen als over de wettelijke verhoging vanaf de datum van verzuim, 1 augustus 1999, dan wel vanaf de datum van de eerste sommatie, 14 september 1999, dan wel vanaf een door de kantonrechter in goede justitie nader te bepalen datum, tot en met de dag der algehele voldoening.

JAL heeft de vorderingen bestreden.

De kantonrechter heeft bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 9 januari 2002 JAL veroordeeld om aan ieder van [eiser] c.s. te betalen het equivalent in euro's van:

1. de onderwerpelijke maandelijkse km-vergoedingen, zulks met terugwerkende kracht vanaf 1 augustus 1999 en zulks verminderd met JAL's eventuele betalingen terzake;

2. ƒ 1.045,-- wegens buitengerechtelijke incasso-kosten;

3. de wettelijke rente over de onder 1 en 2 bedoelde posten vanaf 14 september 1999 tot aan de dag der algehele voldoening;

4. JAL veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van [eiser] c.s., en

5. het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft JAL hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. [Eiser] c.s. hebben incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 15 januari 2004 heeft het hof in het principaal appel het vonnis waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [eiser] c.s. afgewezen, en in het incidenteel appel het beroep verworpen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen JAL is verstek verleend.

[Eiser] c.s. hebben de zaak doen toelichten door hun advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging en verwijzing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser] c.s. zijn in dienst van JAL, met als standplaats Schiphol. De arbeidsovereenkomsten tussen [eiser] c.s. en JAL zijn schriftelijk vastgelegd. Op die overeenkomsten is een arbeidsvoorwaardenreglement, het Personnel Manual, van toepassing. Appendix F daarvan heeft betrekking op reiskostenvergoedingen. Art. 2 van Appendix F voorziet in een vaste vergoeding voor de kosten van het woon-werkverkeer en art. 3 in een variabele kilometervergoeding. Vanaf hun indiensttreding ontvingen [eiser] c.s. maandelijks zowel de vaste reiskostenvergoeding als een kilometervergoeding. In verband met die laatste vergoeding dienden zij maandelijks opgave te doen van de door hen gereden kilometers.

(ii) Bij brief van 20 juli 1999 heeft JAL haar werknemers medegedeeld dat de vaste en de variabele vergoeding ten onrechte cumulatief zijn betaald en dat met ingang van 1 augustus 1999 de variabele vergoeding niet langer naast de vaste vergoeding zou worden uitgekeerd.

3.2 [Eiser] c.s. hebben de hiervoor onder 1 vermelde vorderingen ingesteld, kort gezegd strekkende tot een verklaring voor recht dat de per 1 augustus 1999 door JAL doorgevoerde eenzijdige wijziging van de reiskostenvergoeding niet rechtsgeldig is, en tot veroordeling van JAL om vanaf genoemde datum de "oude" reiskostenvergoedingen te betalen. [Eiser] c.s. hebben aan hun vorderingen ten grondslag gelegd, voorzover in cassatie van belang, dat de dubbele vergoeding tijdens sollicitatiegesprekken als arbeidsvoorwaarde is gepresenteerd. De kantonrechter heeft de gevorderde verklaring voor recht afgewezen en de vordering voor het overige toegewezen. In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de kantonrechter vernietigd en de vorderingen van [eiser] c.s. afgewezen. Het hof overwoog daartoe onder meer het volgende:

"4.17 (...) [Eiser] c.s. stellen weliswaar dat de dubbele vergoeding tijdens sollicitatiegesprekken als arbeidsvoorwaarde is gepresenteerd, maar nu JAL dit heeft betwist en [eiser] c.s. terzake geen bewijs heeft aangeboden, gaat het hof aan die stelling voorbij."

3.3 Het middel richt zich tegen rov. 4.17 met de klacht dat [eiser] c.s. wel bewijs hebben aangeboden en dat het hof onvoldoende gemotiveerd aan dat bewijsaanbod is voorbijgegaan. De klacht is terecht voorgesteld.

Bij memorie van antwoord, tevens houdende grieven in incidenteel appel, hebben [eiser] c.s. het volgende betoogd:

"(...)

34. In de 11e alinea stelt JAL dat er nimmer afspraken zijn gemaakt of toezeggingen zijn gedaan over de aanspraak op een kilometervergoeding woon-werkverkeer. JAL-werknemers ontkennen dat er daaromtrent nimmer afspraken zijn gemaakt en verwijzen naar de door JAL-werknemers (sub 1 en sub 3) afgelegde verklaringen, overgelegd als bijlage 12-1 en 12-2 bij de dagvaarding in eerste aanleg. Ook op dit punt wordt uitdrukkelijk bewijs aangeboden in de vorm van getuigen, meer in het bijzonder alle (...) tot op heden in de processtukken genoemde getuigen."

In het licht van dit betoog en in aanmerking genomen dat de verklaringen waarnaar in deze passage wordt verwezen, blijkens de gedingstukken betrekking hebben op hetgeen tijdens de sollicitatiegesprekken is besproken ten aanzien van de kilometervergoeding, is de hiervoor weergegeven overweging van het hof zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Het bestreden arrest kan derhalve niet in stand blijven.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 15 januari 2004;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt JAL in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] c.s. begroot op € 452,96 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink als voorzitter, D.H. Beukenhorst en A.M.J. van Buchem-Spapens, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 3 juni 2005.