Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AS5958

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-06-2005
Datum publicatie
03-06-2005
Zaaknummer
R04/075HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AS5958
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

3 juni 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/075HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. E. van Staden ten Brink, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 318
JWB 2005/200
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 juni 2005

Eerste Kamer

Rek.nr. R04/075HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink,

t e g e n

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 23 oktober 2002 ter griffie van de rechtbank te Rotterdam ingekomen verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die rechtbank en verzocht de beschikking van de rechtbank te 's-Gravenhage van 9 oktober 2000 in die zin te wijzigen dat de daarbij bepaalde uitkering tot levensonderhoud van verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - met ingang van 1 mei 2002 wordt gesteld op € 2.575,-- bruto per maand, althans op een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

De vrouw heeft het verzoek van de man bestreden.

De rechtbank heeft bij beschikking van 10 april 2003 de beschikking van de rechtbank te Rotterdam (lees: 's-Gravenhage) van 9 oktober 2000 in die zin gewijzigd dat de daarbij aan de man opgelegde uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking wordt bepaald op € 3.000,-- per maand, verstaan dat genoemde uitkering jaarlijks, voor het eerst met ingang van 1 januari van het nieuwe jaar, wordt gewijzigd ingevolge de wettelijk vastgestelde indexering, en het meer of anders verzochte afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. De man heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij beschikking van 10 maart 2004 heeft het hof in het principale en in het incidentele hoger beroep de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigd en, in zoverre opnieuw beschikkende, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 9 oktober 2000 van de rechtbank te 's-Gravenhage en het overeengekomene in het echtscheidingsconvenant de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie met ingang van 10 april 2003 op € 4.000,-- per maand bepaald, welke alimentatie jaarlijks conform de wettelijke indexatie wordt verhoogd, voor het eerst op 1 januari 2004, deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders verzochte afgewezen.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw is in cassatie niet verschenen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van de man heeft op 18 februari 2005 schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn op 31 augustus 1964 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 9 oktober 2000 heeft de rechtbank tussen partijen echtscheiding uitgesproken; de beschikking is op 7 december 2000 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

(ii) Bij genoemde beschikking heeft de rechtbank de man veroordeeld aan de vrouw een bijdrage in haar levensonderhoud te betalen van f. 8.870,-- (€ 4.025,03) per maand, conform hetgeen partijen op 18 september 2000 ter zitting waren overeengekomen.

3.2 Bij zijn hiervoor onder 1 vermelde verzoekschrift heeft de man de rechtbank verzocht de aan de vrouw te betalen alimentatie met ingang van 1 mei 2002 vast te stellen op € 2.575,-- per maand. Hij heeft daaraan, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat zijn draagkracht is afgenomen omdat hij hogere woonlasten heeft en opnieuw is gehuwd. Na verweer van de vrouw heeft de rechtbank bij beschikking van 10 april 2003, voorzover in cassatie van belang, de door de man te betalen alimentatie bepaald op € 3.000,-- per maand. In hoger beroep heeft het hof de laatstgenoemde beschikking vernietigd en, voorzover thans van belang, de alimentatie bepaald op € 4.000,-- per maand.

3.3 Onderdeel 1 is gericht tegen hetgeen het hof op blz. 2 van de bestreden beschikking omtrent de feiten heeft vastgesteld ten aanzien van de man:

"Zijn echtgenote heeft per maand een netto inkomen uit loon van € 847,-- volgens de salarisspecificatie van december 2003."

Het onderdeel klaagt dat deze vaststelling van het hof op een vergissing berust en onbegrijpelijk is gemotiveerd. De klacht is terecht voorgesteld. De desbetreffende salarisspecificatie, die tot de stukken van het geding behoort, vermeldt dat het inkomen van de echtgenote van de man € 847,03 bruto per maand bedraagt. Ook de door de man in hoger beroep overgelegde salarisspecificaties van zijn echtgenote over juni en september 2003 vermelden een bruto-inkomen per maand van € 847,03.

De bestreden beschikking kan derhalve niet in stand blijven. De overige onderdelen behoeven geen behandeling, mede in aanmerking genomen dat de rechter na verwijzing een alimentatiegeschil in volle omvang heeft te beoordelen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 10 maart 2004;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 3 juni 2005.