Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AS5106

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-04-2005
Datum publicatie
29-04-2005
Zaaknummer
C04/225HR (1412)
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AS5106
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

29 april 2005 Eerste Kamer Nr. C04/225HR (1412) JMH/AS Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. A.H. Vermeulen, t e g e n DE PROVINCIE ZUID-HOLLAND, gevestigd te 's-Gravenhage, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans. 1. Het geding in feitelijke instantie...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 268
NJ 2005, 456 met annotatie van P.C.E. van Wijmen
BR 2005/242 met annotatie van J.F. de Groot
JWB 2005/176
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 april 2005

Eerste Kamer

Nr. C04/225HR (1412)

JMH/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. A.H. Vermeulen,

t e g e n

DE PROVINCIE ZUID-HOLLAND,

gevestigd te 's-Gravenhage,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans.

1. Het geding in feitelijke instantie

Verweerster in cassatie - verder te noemen: de Provincie - heeft bij exploot van 3 juni 2003 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de rechtbank te Rotterdam en gevorderd bij vonnis vervroegd uit te spreken ten name van de Provincie, ten behoeve van de aanleg van de provinciale weg N 470, de onteigening van de percelen kadastraal bekend Gemeente Berkel en Rodenrijs, sectie [A], nr. [001], grondplannummers [1, 2, 3 en 4] en sectie [A], nr. [002], grondplannummer [5], en bij afzonderlijk vonnis vast te stellen de aan [eiser] uit te keren schadeloosstelling.

Bij vonnis van 3 september 2003, dat op 3 november 2003 is ingeschreven in de openbare registers, heeft de rechtbank de gevorderde onteigening bij vervroeging uitgesproken, het voorschot op de schadeloosstelling vastgesteld en aan de drie door haar bij beschikking van 24 maart 2003 benoemde deskundigen opgedragen de schadeloosstelling voor [eiser] te begroten.

Bij vonnis van 17 maart 2004 heeft de rechtbank het bedrag van de schadeloosstelling voor [eiser] bepaald op € 105.409,08.

Dit vonnis is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

[Eiser] heeft tegen het vonnis van de rechtbank van 17 maart 2004 beroep in cassatie ingesteld. De cassatie-dagvaarding en het herstelexploot zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Provincie heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging en verwijzing.

Zowel de advocaat van [eiser] als de advocaat van de Provincie heeft op 17 februari 2005 schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Deskundigen hebben in hun op 27 november 2003 ter griffie van de rechtbank gedeponeerde rapport de totale schadeloosstelling voor [eiser] begroot op € 137.687,50. Voor de waarde van het onteigende zijn zij uitgegaan van een prijs van € 25,-- per vierkante meter, welke tot een waarde van € 108.075,-- leidende prijs onder meer berustte op de veronderstelling dat de asbest "nabij de keet op het maaiveld en in de bodem", waarvan melding werd gemaakt in een door de Provincie ontvangen rapport dat op 1 februari 2002 was opgemaakt door DHV Milieu en Infrastructuur B.V. (hierna: DHV), door [eiser] - zoals deze aan de Provincie had meegedeeld - verwijderd was, en dat van bodemverontreiniging geen sprake was.

(ii) Vóór de op 13 februari 2004 gehouden pleidooien heeft de Provincie aan de deskundigen en aan [eiser] een in januari 2004 door DHV opgesteld Saneringsplan toegezonden. Naar aanleiding van dit Saneringsplan hebben de deskundigen bij gelegenheid van de pleidooien hun begroting van de schadeloosstelling bijgesteld in verband met de aanwezigheid van asbest, voor zover daarvan volgens hen reeds melding was gemaakt in het op 1 februari 2002 door DHV opgemaakte rapport. Zoals toegelicht in hun bij de pleidooien overgelegde notitie, gingen de deskundigen in verband met die verontreiniging niet langer uit van een prijs van € 25,-- maar van € 20,-- per vierkante meter en begrootten zij de aan [eiser] toe te kennen schadeloosstelling op € 105.022,50.

3.2 De rechtbank heeft het ter terechtzitting van 13 februari 2004 door [eiser] gedane verzoek om aanhouding van de zaak teneinde hem de gelegenheid te bieden tot tegenonderzoek "zowel op het punt van de bodemgesteldheid als op het punt van de daarmee gemoeide kosten" afgewezen, en heeft de schadeloosstelling bepaald op het hiervoor aan het slot van 3.1 onder (ii) genoemde bedrag, vermeerderd met € 386,58 aan gederfde rente.

3.3 De onderdelen 1.1 en 1.2 gaan uit van een onjuiste opvatting omtrent de regel dat de dag waarop het vonnis van vervroegde onteigening is ingeschreven in de openbare registers - in dit geval: 3 november 2003 - maatgevend is voor de bepaling van de schadeloosstelling. Deze regel belette, anders dan de onderdelen veronderstellen, de rechtbank niet om bij die bepaling rekening te houden met asbestverontreiniging waarvan de deskundigen aanvankelijk veronderstelden dat deze voor de peildatum door [eiser] was verwijderd, maar die zij, toen hun uit het Saneringsplan bleek dat die veronderstelling niet juist was, bij gelegenheid van de pleidooien alsnog in hun begroting van de schadeloosstelling hebben betrokken. De rechtbank diende immers ingevolge de voormelde regel rekening te houden met alle feiten en omstandigheden op de peildatum die van invloed zijn op de hoogte van de schadeloosstelling, ook als daarvan pas bleek uit rapporten van latere datum.

De onderdelen 1.1 en 1.2 treffen dus geen doel.

3.4 Onderdeel 1.3 klaagt dat de rechtbank heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door acht te slaan op het Saneringsplan en het op 1 februari 2002 door DHV opgemaakte rapport, welke stukken geen van beide op de door de wet voorgeschreven wijze in het geding zijn gebracht.

Voor zover het onderdeel tot uitgangspunt neemt dat de rechtbank ook zelf op genoemde stukken heeft acht geslagen, berust het op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis: de inhoud van het Saneringsplan en het rapport van DHV van 1 februari 2002 is de rechtbank slechts bekend uit hetgeen de deskundigen daaromtrent in hun rapport en bij pleidooi naar voren hebben gebracht. In zoverre mist het onderdeel dus feitelijke grondslag en kan het om die reden niet tot cassatie leiden.

Het onderdeel treft ook overigens geen doel, nu geen rechtsregel ertoe dwingt aan te nemen dat de rechtbank op oordelen van deskundigen die gegrond zijn op door hen geraadpleegde stukken slechts acht zou mogen slaan voor zover (afschriften van) die stukken bij het deskundigenrapport zijn gevoegd dan wel bij akte in het geding zijn gebracht.

3.5.1 De onderdelen 1.4 en 1.5, die betrekking hebben op de afwijzing van [eiser]'s verzoek om aanhouding, kunnen gezamenlijk worden behandeld. Zij komen, bezien in samenhang met onderdeel 1.3, erop neer dat [eiser] geen althans onvoldoende gelegenheid is geboden voor een adequate reactie - in de vorm van een contra-expertise - op de hiervoor in 3.4 bedoelde stukken, nu hij het Saneringsplan eerst kort - naar in cassatie veronderstellenderwijs moet worden aangenomen: een dag of tien - voor de zitting heeft ontvangen en het rapport van DHV van 1 februari 2002 hem onbekend was, en op de conclusies die de deskundigen daaraan in hun notitie hebben verbonden voor de hoogte van de schadeloosstelling.

3.5.2 De rechtbank heeft het verzoek om aanhouding in haar rov. 2.9 als volgt verworpen:

"Hoewel [eiser] naar zijn zeggen niet beschikte over het rapport van februari 2002, droeg hij van het bestaan kennis en had hij dit (tijdig) kunnen opvragen. Aangezien de deskundigen zich voor de omvang van de bodemverontreiniging hebben gebaseerd op dit laatste rapport en niet op het Saneringsplan, ziet de rechtbank geen reden de zaak aan te houden teneinde [eiser] in de gelegenheid te stellen een tegenonderzoek te laten verrichten."

3.5.3 Eerst ter zitting van 13 februari 2004 werd [eiser] geconfronteerd met het op het Saneringsplan gebaseerde standpunt van de deskundigen dat de eerder door hen buiten beschouwing gelaten, in het DHV-rapport van 1 februari 2002 vermelde asbestverontreiniging alsnog in de begroting van de schadeloosstelling betrokken diende te worden, en wel aldus dat die volgens de deskundigen op de peildatum - 3 november 2003 - nog aanwezige verontreiniging ertoe zou moeten leiden dat de schadeloosstelling niet bepaald zou moeten worden op het bedrag van € 137.687,50 dat genoemd werd in hun op 27 november 2003 gedeponeerde rapport, maar op € 105.022,50. Bij dat uitgangspunt zou slechts toewijzing van het verzoek van [eiser] om aanhouding van de zaak, teneinde hem in de gelegenheid te stellen een tegenonderzoek te doen plaatsvinden zowel met betrekking tot de vraag in welke mate de in het DHV-rapport van 1 februari 2002 vermelde asbest-verontreiniging op de peildatum nog bestond als ten aanzien van de vraag welke saneringskosten verbonden waren aan die toen nog bestaande verontreiniging, in overeenstemming zijn geweest met het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor. De onderdelen bevatten hierop gerichte klachten en zijn derhalve in zoverre gegrond.

3.6 De overige in het middel naar voren gebrachte klachten behoeven geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 17 maart 2004;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof te 's-Gravenhage;

veroordeelt de Provincie in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 409,96 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, P.C. Kop, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 29 april 2005.