Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AS5091

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-04-2005
Datum publicatie
22-04-2005
Zaaknummer
C04/068HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AS5091
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

22 april 2005 Eerste Kamer Nr. C04/068HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [Eiseres 1], en 2. [Eiser 2], beiden wonende te [woonplaats], EISERS tot cassatie, advocaat: mr. J.H.E. Wanrooij, t e g e n DE STICHTING WOONMAATSCHAPPIJ 'DE VONK', gevestigd te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7A
Burgerlijk Wetboek Boek 7A 1598
Burgerlijk Wetboek Boek 7A 1599
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 224
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 257
JWB 2005/161
JHV 2005/145 met annotatie van HS, J.W.Adriaansens
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 april 2005

Eerste Kamer

Nr. C04/068HR

JMH/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiseres 1], en

2. [Eiser 2],

beiden wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. J.H.E. Wanrooij,

t e g e n

DE STICHTING WOONMAATSCHAPPIJ 'DE VONK',

gevestigd te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: De Vonk - heeft bij exploot van 28 februari 2001 eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser] c.s. - gedagvaard voor de kantonrechter te Haarlem en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] c.s. hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan De Vonk te betalen een bedrag van ƒ 20.253,32, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 december 2000 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [eiser] c.s. in de kosten van dit geding.

[Eiser] c.s. heeft de vordering bestreden.

De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 27 juni 2001 [eiser] c.s. tot bewijslevering toegelaten.

Na getuigenverhoor heeft de kantonrechter bij eindvonnis van 6 maart 2002 [eiser] c.s. veroordeeld om aan De Vonk te betalen een bedrag van € 9.190,56, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 december 2000 tot het moment van de algehele voldoening, [eiser] c.s. in de proceskosten aan de zijde van De Vonk veroordeeld, dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen beide vonnissen van de kantonrechter hebben [eiser] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij tussenarrest van 13 maart 2003 heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte aan de zijde van De Vonk en bij eindarrest van 6 november 2003 de vonnissen waarvan beroep bekrachtigd.

Beide arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen beide arresten van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen De Vonk is verstek verleend.

[Eiser] c.s. hebben de zaak doen toelichten door hun advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] c.s. in hun cassatieberoep, voor zover dit is gericht tegen het tussenarrest van 13 maart 2003, en tot verwerping van hun beroep voor het overige.

3. Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van De Vonk begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 22 april 2005.