Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AS4179

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-05-2005
Datum publicatie
13-05-2005
Zaaknummer
C04/151HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AS4179
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

13 mei 2005 Eerste Kamer Nr. C04/151HR RM/JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [Eiser 1], wonende te [woonplaats], België, 2. [Eiseres 2], e.v. [betrokkene 1], wonende te [woonplaats], 3. [Eiseres 3], gevestigd te [vestigingsplaats], België EISERS tot cassatie, advocaat: mr. D. Rijpma, t e g e n DE STAAT DER NEDERLANDEN, Ministerie van Justitie, zetelende te 's-Gravenhage, VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. G. Snijders. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 292
NJ 2005, 414 met annotatie van J. Riphagen
RvdW 2005, 73
JWB 2005/188
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 mei 2005

Eerste Kamer

Nr. C04/151HR

RM/JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiser 1],

wonende te [woonplaats], België,

2. [Eiseres 2], e.v. [betrokkene 1],

wonende te [woonplaats],

3. [Eiseres 3],

gevestigd te [vestigingsplaats], België

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. D. Rijpma,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN, Ministerie van Justitie,

zetelende te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. G. Snijders.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eisers tot cassatie - verder gezamenlijk te noemen: [eiser] c.s. - hebben, voor zover in cassatie van belang, bij exploot van 4 september 2003 verweerder in cassatie - verder te noemen: de Staat - in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank te Roermond. [Eiser] c.s. hebben gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de Staat te verbieden uitvoering te geven aan het voornemen over de strafrechtelijke transactie met [eiser] c.s. naar buiten enige mededeling te doen op straffe van een aan ieder van eisers tot cassatie te betalen dwangsom.

De Staat heeft de vordering bestreden.

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 1 oktober 2003 de vordering tegen de Staat afgewezen.

Tegen dit vonnis hebben [eiser] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. In hoger beroep heeft eiseres tot cassatie sub 3 (hierna ook: VDP) haar eis gewijzigd in die zin dat zij subsidiair vordert dat het hof de Staat zal verbieden het voorgenomen persbericht uit te geven en naar buiten enige mededeling te doen, die direct of indirect kan leiden tot haar identificatie.

Bij arrest van 16 maart 2004 heeft het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Tegen [eiser] c.s. is een gerechtelijk vooronderzoek geopend ter zake van verdenking van valsheid in geschrift. Na onderhandelingen heeft de officier van justitie te Roermond hun een transactievoorstel gedaan, inhoudend dat [eiser] c.s. ieder een bepaald bedrag betalen ter voorkoming van verdere strafvervolging. De raadsman van [eiser] c.s. heeft dit transactievoorstel aanvaard bij brief van 17 mei 2002.

(ii) Het transactieaanbod behoefde ingevolge de door het College van Procureurs-Generaal op de voet van art. 130 lid 4 RO gegeven Aanwijzing hoge transacties en transacties in bijzondere zaken (Stcrt. 2002, 39) de goedkeuring van dat College. Het College heeft de gevraagde goedkeuring verleend, waarmee de minister van Justitie heeft ingestemd. Hierbij is bepaald dat een persbericht over de transactie zal worden uitgebracht.

(iii) Het openbaar ministerie is voornemens een persbericht uit te geven waarvan de inhoud is weergegeven in rov. 4.1 onder j van het thans bestreden arrest. [Eiser] c.s. kunnen zich met het uitbrengen van dit persbericht niet verenigen.

3.2 In dit kort geding hebben [eiser] c.s. aan hun hiervoor in 1 vermelde vordering ten grondslag gelegd dat het in strijd is met de wet aan een transactie de voorwaarde van een persbericht te verbinden en dat het concept-persbericht bovendien inhoudelijk niet juist en daarom onrechtmatig is. De voorzieningenrechter heeft de vordering tegen de Staat afgewezen. In hoger beroep heeft VDP haar eis gewijzigd in die zin dat zij - volgens de vaststelling van het hof: subsidiair - vordert dat het hof aan de Staat zal verbieden het voorgenomen persbericht uit te geven en naar buiten enige mededeling te doen die direct of indirect kan leiden tot haar identificatie. Het hof heeft het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd. Hetgeen het hof daartoe heeft overwogen, kan als volgt worden samengevat.

a. Vooropgesteld wordt dat het openbaar ministerie vrij was een transactie aan te bieden, waartegenover de vrijheid van [eiser] c.s. staat op de aangeboden transactie niet in te gaan, in welk geval de bedoelde perspublicatie niet zal plaatsvinden. Het openbaar ministerie heeft vanaf het begin van de onderhandelingen gesteld dat er een perspublicatie diende te komen. Daarmee handelde het openbaar ministerie in overeenstemming met de hiervoor in 3.1 onder (ii) vermelde, voor eenieder kenbare Aanwijzing hoge transacties. (rov. 4.5-4.7)

b. Verworpen wordt de stelling van [eiser] c.s. dat het openbaar ministerie in strijd met art. 74 Sr. handelt door (los van de inhoud) een persbericht als voorwaarde voor de transactie te stellen, een voorwaarde die dat wetsartikel niet bevat. Volgens het hof gaat het hier om een beleidsbepaling van het openbaar ministerie, waarin wordt aangegeven dat het uitgaan van een persbericht een consequentie is van het aangaan van de transactie. Aan [eiser] c.s. wordt dan ook geen voorwaarde opgelegd. (rov. 4.8)

c. Ook de stelling dat het uitbrengen van een persbericht in strijd is met art. 6 lid 2 en art. 8 EVRM en de Wet bescherming persoonsgegevens wordt verworpen, reeds omdat de voorgestelde transactie slechts dan plaats heeft als [eiser] c.s. akkoord gaan met, althans zich niet verzetten tegen, de voorgenomen publicatie van die transactie. (rov. 4.9)

d. De inhoud van de voorgenomen perspublicatie betreft niet een gezamenlijk standpunt van het openbaar ministerie en [eiser] c.s., maar de eigen visie van het openbaar ministerie op de zaak. De inhoud van een perspublicatie kan niettemin onrechtmatig zijn, doordat bijvoorbeeld formuleringen gekozen worden die de status miskennen van personen aan wie een transactie wordt aangeboden, en voor wie het aangaan van een transactie niet hetzelfde rechtsgevolg heeft als een onherroepelijke veroordeling. (rov. 4.12-4.13)

e. Op twee punten voldoet het voorgenomen persbericht niet aan de zojuist genoemde eis. (rov. 4.14) Doordat de Staat bij pleidooi in hoger beroep uitdrukkelijk heeft medegedeeld dat hij het aanbod tot transactie alleen handhaaft indien hij mag overgaan tot het voorgenomen persbericht, hebben [eiser] c.s. geen belang meer bij hun subsidiaire vordering. Daarbij wordt nog aangetekend dat [eiser] c.s. niet gevorderd hebben de Staat te veroordelen een transactie aan te bieden, gevolgd door een wat inhoud betreft rechtmatig persbericht, zodat het hof een dergelijke vordering niet kan behandelen. (rov. 4.15)

3.3.1 De onderdelen 1 en 2 van het middel bevatten motiveringsklachten en rechtsklachten tegen het hiervoor in 3.2 onder b. weergegeven oordeel van het hof, dat, kort gezegd, geen sprake is van het stellen van een - door art. 74 Sr. niet toegelaten - voorwaarde. Volgens onderdeel 1 is (zonder nadere of andere motivering) onbegrijpelijk waarom het hof het uitbrengen van een persbericht, waarvan het openbaar ministerie de bereidheid een transactie aan te bieden afhankelijk heeft gesteld, niet heeft beschouwd als een transactievoorwaarde. Onderdeel 2 klaagt dat het hof, indien het hof het persbericht wel als transactievoorwaarde heeft aangemerkt, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het dan heeft miskend dat de opsomming van transactievoorwaarden in art. 74 lid 2 Sr. een limitatieve is, zodat het openbaar ministerie deze voorwaarde niet had mogen stellen.

3.3.2 Bij de beoordeling van deze onderdelen wordt het volgende vooropgesteld. Het gaat in deze zaak - in cassatie onbestreden - om een voorgenomen transactie waarop de hiervoor bedoelde, voor het openbaar ministerie in beginsel bindende, Aanwijzing hoge transacties van toepassing is. Deze Aanwijzing schrijft voor dat indien tot een hoge transactie of een transactie in een bijzondere zaak wordt besloten, een persbericht in beginsel noodzakelijk is, hetgeen als volgt wordt gemotiveerd:

"Hiermee wordt geanticipeerd op de - gegeven de aard van de zaken - onvermijdelijke maatschappelijke aandacht voor de zaak in kwestie. Tevens compenseert dit persbericht het uitblijven van publiciteit naar aanleiding van een openbare behandeling ter terechtzitting en een in het openbaar uitgesproken rechterlijke uitspraak en de generaal preventieve werking die daarvan uitgaat. Het persbericht noemt in ieder geval de naam van de verdachte met wie en de strafbare feiten terzake waarvan wordt getransigeerd; het geeft ook summier aan waarom is gekozen voor een transactie. De inhoud wordt vastgesteld door het OM. Het wordt uitgebracht zo spoedig mogelijk nadat de transactie gesloten is.

De inhoud van het persbericht moet worden afgestemd met de Voorlichtingsdienst van het OM op een moment dat het nog niet is aangeboden of besproken met de verdachte en/of zijn raadsman (...) ."

Blijkens de, onder de kop "Achtergrond" gegeven toelichting is het College van Procureurs-Generaal zich ervan bewust geweest dat de aan de verdachte te stellen voorwaarden limitatief staan omschreven in art. 74 lid 2 Sr. Naar de kennelijke strekking van de aan de hoofden van de parketten gerichte Aanwijzing is dan ook met het voorschrift dat in de door de Aanwijzing bestreken transactievoorstellen "een persbericht in beginsel noodzakelijk" is, niet bedoeld een voorwaarde in de zin van art. 74 lid 2 Sr. aan de verdachte te stellen, of te bepalen dat het openbaar ministerie dat moet doen.

3.3.3 Veeleer is, zoals de hiervoor aangehaalde tekst ook tot uitdrukking brengt, sprake van een onder verantwoordelijkheid van en door het openbaar ministerie zelf opgesteld persbericht, dat (in beginsel) moet worden uitgebracht zo spoedig mogelijk nadat de transactie is gesloten. Met dit laatste wordt blijkens punt 5 van de Aanwijzing bedoeld het moment waarop de verdachte aan alle aan de transactie gekoppelde voorwaarden als bedoeld in art. 74 Sr. voldoet. Deze instructie aan het openbaar ministerie is ingegeven door de hiervoor weergegeven motieven en doet recht aan het publieke belang van controleerbaarheid van het handelen van het openbaar ministerie. De Aanwijzing heeft betrekking op zaken die zich, hoewel het hierbij dikwijls gaat om delicten die publieke verontrusting hebben veroorzaakt, bij uitzondering lenen voor afdoening buiten de rechter om indien daarvoor goede redenen kunnen worden gegeven; de voorgenomen transactie dient via het College van Procureurs-Generaal aan de minister van Justitie te worden voorgelegd, opdat deze kan bepalen of hij daarvoor politieke verantwoordelijkheid kan dragen. Ook hieruit blijkt dat een persbericht betreffende een hoge transactie of een transactie in een bijzondere zaak niet kan worden geplaatst in het kader van al dan niet aan de verdachte te stellen voorwaarden als bedoeld in art. 74 lid 2 Sr.

3.3.4 Het voorgaande sluit niet uit dat over de tekst van een uit te brengen persbericht overleg plaats heeft, noch dat het openbaar ministerie tracht met de (raadsman van de) verdachte daarover overeenstemming te bereiken. Waar het openbaar ministerie evenwel niet als transactievoorwaarde kan stellen dat de verdachte het persbericht zal gedogen, behoudt de verdachte, ook al heeft hij ingestemd met de wel gestelde transactievoorwaarden, nog steeds de vrijheid de rechtmatigheid van een door het openbaar ministerie opgesteld persbericht, desgewenst nog voordat het wordt uitgebracht, in rechte aan de orde te stellen, zoals [eiser] c.s. in dit kort geding hebben gedaan.

3.3.5 In het licht van het voorgaande is het oordeel van het hof in rov. 4.8 dat in verband met het voorgenomen persbericht aan [eiser] c.s. niet een voorwaarde als bedoeld in art. 74 lid 2 Sr. is gesteld, niet onbegrijpelijk. Het behoefde geen nadere motivering dan door het hof is gegeven, in aanmerking genomen dat het hof in rov. 4.7 - in cassatie onbestreden - heeft geoordeeld dat het openbaar ministerie in overeenstemming handelde met de Aanwijzing. Dit wordt niet anders doordat het hof in rov. 4.9.1 heeft overwogen dat "de voorgestelde transactie slechts dan plaats heeft als [eiser] c.s. akkoord gaat met althans zich niet verzet tegen de voorgenomen publicatie van de transactie". Daarmee heeft het hof, zij het in mogelijk tot misverstand aanleiding gevende bewoordingen, tot uitdrukking gebracht dat [eiser] c.s., indien zij onoverkomelijke bezwaren hebben tegen het voorgenomen persbericht, ervan kunnen afzien de transactie doorgang te doen vinden.

3.3.6 De in onderdeel 1 vervatte motiveringsklacht faalt derhalve. De in onderdeel 2 naar voren gebrachte rechtsklacht kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden, omdat het hof het uitbrengen van het persbericht niet als een transactievoorwaarde heeft beschouwd.

3.4 Ook onderdeel 3 kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden, voorzover het betoogt dat het openbaar ministerie door het stellen van de voorwaarde van het persbericht kennelijk beoogde te bewerkstelligen dat [eiser] c.s. tegen dat persbericht - ook al zou de inhoud daarvan als onrechtmatig moeten worden aangemerkt - niet meer in rechte zouden kunnen opkomen, en dat derhalve sprake was van détournement de pouvoir. Het hof heeft immers geoordeeld dat van het stellen van een transactievoorwaarde geen sprake was. Het onderdeel is ook voor het overige tevergeefs voorgesteld. Zoals hiervoor is overwogen, mist het openbaar ministerie de bevoegdheid [eiser] c.s. te verplichten een persbericht van een bepaalde inhoud te gedogen en kan het niet verhinderen dat [eiser] c.s. de rechtmatigheid van het persbericht aanvechten. Het hof behoefde ook niet ambtshalve in te gaan op de vraag of anderszins sprake was van détournement de pouvoir:

het voornemen een persbericht aangaande de transactie uit te brengen vloeide immers voort uit de hiervoor vermelde instructie aan het openbaar ministerie. Het hof behoefde in de stellingen van [eiser] c.s. niet het verwijt te lezen dat het openbaar ministerie desondanks slechts erop uit was door de uitoefening van zijn bevoegdheid hun al dan niet een transactie aan te bieden, hen ertoe te bewegen een persbericht van een bepaalde inhoud te aanvaarden.

3.5.1 Onderdeel 4 keert zich tegen de hiervoor in 3.2 onder e. weergegeven rov. 4.15 van het bestreden arrest. Geklaagd wordt dat VDP, anders dan het hof heeft geoordeeld, gegeven de ontoelaatbaarheid van het stellen van de voorwaarde van een persbericht, en uitgaande van de (gestelde) onrechtmatigheid van de inhoud van het persbericht dat de Staat voornemens was uit te brengen, bij haar subsidiaire vordering nog wel belang heeft: zou die vordering worden toegewezen, dan is daarmee immers - gegeven de ontoelaatbaarheid van het stellen van de voorwaarde van een persbericht - niet gegeven dat de transactie geen doorgang zou vinden, terwijl daarmee evenmin is gegeven dat de Staat niet alsnog een persbericht met een andere, wel rechtmatige inhoud zou mogen uitbrengen. Zou de Staat na toewijzing van de subsidiaire vordering van VDP weigerachtig zijn de transactie tot stand te brengen, dan zouden [eiser] c.s. daaromtrent een nieuwe procedure tegen de Staat hebben kunnen aanspannen, aldus het onderdeel.

3.5.2 Voorzover het onderdeel tot uitgangspunt neemt dat het stellen van de voorwaarde van een persbericht ontoelaatbaar is, bouwt het voort op de hiervoor behandelde onderdelen 1 en 2, en deelt het het lot daarvan. Voor het overige behoeft het geen behandeling, omdat VDP daarbij in dit stadium geen belang heeft. Zoals uit het hiervoor in 3.3.3 overwogene voortvloeit, is een op de voet van de Aanwijzing zo spoedig mogelijk na het sluiten van de transactie uit te brengen persbericht, in beginsel niet onrechtmatig. Nu uit de gedingstukken geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat de transactie nog niet tot stand is gekomen in die zin dat [eiser] c.s. aan alle aan de transactie gekoppelde voorwaarden hebben voldaan, en dat het openbaar ministerie bereid is hen daartoe alsnog in de gelegenheid te stellen, kunnen zich de volgende situaties voordoen. Indien [eiser] c.s. besluiten niet aan de transactievoorwaarden te voldoen, zal geen persbericht worden uitgegeven. Indien zij wel daartoe besluiten, zal het openbaar ministerie onder eigen verantwoordelijkheid een persbericht uitgeven, waarvan de inhoud volgens de schriftelijke toelichting namens de Staat onder 2.21 zal zijn aangepast aan de kritiek van het hof. Daartegen zullen [eiser] c.s. desgewenst in rechte kunnen opkomen.

4. De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 359,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst, A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 13 mei 2005.