Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AS4167

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-05-2005
Datum publicatie
13-05-2005
Zaaknummer
C03/307HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AS4167
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

13 mei 2005 Eerste Kamer Nr. C03/307HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres], wonende te [woonplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens, t e g e n [Verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instantie...

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 771, geldigheid: 2005-05-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SJP 2005/182
JOL 2005, 284
JWB 2005/191

Uitspraak

13 mei 2005

Eerste Kamer

Nr. C03/307HR

JMH/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres],

wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploot van 2 augustus 2000 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- [verweerder] te veroordelen om binnen een bij de uitspraak te bepalen termijn ten overstaan van een daarbij te benoemen rechter-commissaris aan [eiseres] rekening en verantwoording af te leggen ten aanzien van de rekeningen van wijlen [betrokkene 1] bij de Rabobank met nummers [001] en [002] en ten aanzien van de girorekening bij de Postbank met nummer [003];

- te bepalen, dat, indien [verweerder] in gebreke mocht blijven op de door de rechter-commissaris bepaalde dag te verschijnen of rekening te doen, of de aan de rechter-commissaris overgelegde rekening binnen de daarvoor bepaalde termijn aan [eiseres] te betekenen, hij daartoe zal kunnen worden genoodzaakt door de voldoening van een dwangsom van ƒ 1.000,-- voor elke dag dat hij na betekening van dit vonnis in gebreke blijft rekening en verantwoording te doen met een maximum van ƒ 50.000,-- althans daartoe zal kunnen worden genoodzaakt door de inbeslagneming en de verkoop zijner goederen tot een bedrag van ƒ 50.000,--;

- voorts het bedrag van ontvangsten en uitgaven der rekening vast te stellen, het saldo te bepalen en [verweerder] te veroordelen tot betaling aan de gemeenschap van zodanige som, als aan deze blijkens de rekening en verantwoording zal toekomen, met de wettelijke rente vanaf de dag dat hij in verzuim is gekomen tot aan die der voldoening;

- voorts [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van de buitengerechtelijke kosten alsmede hem te veroordelen in de kosten van deze procedure.

[Verweerder] heeft de vorderingen bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 25 juli 2001 de vorderingen afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 27 augustus 2003 heeft het hof voormeld vonnis van de rechtbank bekrachtigd en het meer of anders verzochte afgewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend.

[Eiseres] heeft haar zaak doen toelichten door haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiseres] is erfgename van [betrokkene 1], overleden op 7 oktober 1995.

(ii) [betrokkene 1] leed aan een spierziekte, in verband waarmee hij met name gedurende het laatste halfjaar van zijn leven - tegen betaling - door diverse mensen werd verzorgd.

(iii) Omdat [betrokkene 1] als gevolg van zijn ziekte gaandeweg zijn armen en handen niet meer kon bewegen, heeft hij op 11 mei 1995 [verweerder] gevolmachtigd ten aanzien van zijn rekeningen bij de Rabobank met de nummers [001] (betaalrekening) en [002] (rendementsrekening). Op 1 juli 1995 heeft hij [verweerder] tevens gevolmachtigd ten aanzien van zijn rekening bij de Postbank onder nummer [003].

(iv) In de periode van 12 juni 1995 tot 7 oktober 1995 is in totaal ƒ 50.219,76 van de rendementsrekening en van de girorekening afgeschreven.

3.2 [Eiseres] heeft in eerste aanleg gevorderd - kort gezegd - [verweerder] te veroordelen op de voet van art. 771 e.v. (oud) Rv. ten overstaan van een daartoe te benoemen rechter-commissaris rekening en verantwoording af te leggen ten aanzien van de rekeningen van [betrokkene 1] bij de Rabobank en de Postbank. Aan haar vordering heeft zij ten grondslag gelegd dat [verweerder] als gevolmachtigde geen duidelijkheid heeft verschaft over de (besteding van) het bedrag van ƒ 50.219,76.

[Verweerder] heeft de vordering gemotiveerd bestreden, gesteld dat hij alleen betrokken is geweest bij een drietal geldopnames ten bedrage van in totaal ƒ 12.500,--, welke bedragen hij heeft overhandigd aan [betrokkene 1] respectievelijk diens vriendin, en geconcludeerd dat de vordering van [eiseres] voor afwijzing gereed ligt nu hij niet rekenplichtig is op de voet van art. 771 e.v. (oud) Rv. aangezien van zijn kant geen sprake is geweest van beheer.

3.3 De rechtbank heeft de vordering van [eiseres] afgewezen. In hoger beroep heeft [eiseres] zich op het standpunt gesteld dat de rekenplicht heeft bestaan vanaf de datum waarop [verweerder] werd gemachtigd voor de rekeningen bij de Rabobank en aangevoerd dat het verlenen van de machtiging voor de girorekening niet betekent dat [betrokkene 1] op dat moment in staat was zijn wil te bepalen. Ter onderbouwing van de stelling dat [betrokkene 1] niet in staat was zijn wil te uiten heeft [eiseres] zich beroepen op een verklaring van [betrokkene 2], welke verklaring inhoudt dat [betrokkene 1] niet in staat was zich verbaal uit te drukken doch enkel in staat was ja of nee te knikken.

Het hof heeft het vonnis bekrachtigd en daartoe in rov. 4 overwogen:

"Vaststaat dat [betrokkene 1] [verweerder] op respectievelijk 11 mei 1995 en 1 juli 1995 heeft gemachtigd ten aanzien van zijn rekeningen bij de Rabobank en de Postbank. Deze machtigingen hielden verband met zijn verslechterende lichamelijke gesteldheid. [Verweerder] heeft aangegeven dat door hem drie geldopnames zijn gedaan op respectievelijk 12 juni 1995, 27 juni 1995 en 6 oktober 1995 ten bedrage van fl 4.000,=, fl 6.000,= en fl 2.500,=. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat, nu niet is komen vast te staan dat [betrokkene 1] in die periode niet in staat was zijn wil te bepalen, deze geldopnames zijn gedaan met zijn instemming. De door [eiseres] in het geding gebrachte verklaring van [betrokkene 2] is onvoldoende om anders te oordelen, nu deze verklaring volledig wordt weerlegd door de verklaring van de huisarts van [betrokkene 1] en verder door [eiseres] geen gegevens in het geding zijn gebracht die een ander licht op deze kwestie zouden kunnen werpen. Het door [eiseres] gedane bewijsaanbod zal het hof passeren omdat de verklaring van [betrokkene 2], een leek, volledig wordt weerlegd door de verklaring van de huisarts, een deskundige, terwijl het bewijsaanbod naar het oordeel van het hof voor het overige als onvoldoende concreet gemaakt heeft te gelden.

Door [eiseres] is niet gesteld dat [betrokkene 1] bij leven problemen heeft gehad met de wijze waarop [verweerder] met de hem verstrekte volmacht is omgegaan. Het hof is van oordeel dat, nu de volmachtgever bij leven kennelijk geen aanleiding heeft gezien [verweerder] ter verantwoording te roepen omtrent de wijze waarop hij met de machtiging is omgegaan, [eiseres] als erfgenaam evenmin het recht toekomt [verweerder] ter verantwoording te roepen. Dit zou slechts anders kunnen zijn bijvoorbeeld indien er sprake is van misbruik van omstandigheden door de gevolmachtigde. Dit is echter door [eiseres] niet gesteld."

3.4.1 Het hof heeft - in cassatie niet bestreden - vastgesteld (a) dat niet is komen vast te staan dat [betrokkene 1] ten tijde van de volmachtverleningen en bij de uitoefening van de volmachten niet in staat was zijn wil te bepalen en (b) dat hij bij leven geen aanleiding heeft gezien [verweerder] ter verantwoording te roepen omtrent de wijze waarop hij met de machtigingen is omgegaan. Daaraan heeft het hof kennelijk de gevolgtrekking verbonden dat de desbetreffende geldopnames met instemming van [betrokkene 1] zijn gedaan. Het hof heeft tevens de stelling van [eiseres] die erop neerkomt dat [betrokkene 1] niet in staat was zich verbaal uit te drukken doch enkel in staat was ja of nee te knikken, onvoldoende geoordeeld om aan deze gevolgtrekking afbreuk te doen en het in dat verband gedane bewijsaanbod gepasseerd. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.

3.4.2 In de overwegingen van het hof ligt als zijn oordeel besloten dat op [verweerder] niet de verplichting rust tot het doen van rekening en verantwoording, aangezien de volmachtverleningen niet een rechtsverhouding hebben geschapen op grond waarvan [verweerder] jegens [betrokkene 1] gehouden is zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden, en dat zulk een rechtsverhouding ook nadien niet is ontstaan, omdat [betrokkene 1] bij leven geen bezwaren heeft gehad tegen de wijze waarop [verweerder] van de volmachten heeft gebruikgemaakt en niet is gesteld dat sprake is geweest van misbruik van omstandigheden door de gevolmachtigde.

Tegen de achtergrond van hetgeen onder 3.4.1 is overwogen geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

3.4.3 Op het voorgaande stuiten de middelen af.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman, W.A.M. van Schendel en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 13 mei 2005.