Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AS4102

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-01-2005
Datum publicatie
28-01-2005
Zaaknummer
39562
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2003:AF7145
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Diensttijdgratificatie. Seizoenswerkloosheid.

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 11, geldigheid: 2005-01-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2005, 121 met annotatie van Schuver-Bravenboer
FutD 2005-0171 met annotatie van Fiscaal up to Date
BNB 2005/130
FED 2005/48
WFR 2005/177
Belastingadvies 2005/3.7
V-N 2005/9.13

Uitspraak

Nr. 39.562

28 januari 2005

BK

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 23 april 2003, nr. 01/02568, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1998 tot en met 31 december 1999 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van ƒ 13.022, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende is de moedermaatschappij van C B.V. (hierna: C). C exploiteert een schildersbedrijf. Jaarlijks verricht een aantal werknemers gedurende een bepaalde periode in de wintermaanden vanwege het geringe aantal opdrachten als gevolg van de weersomstandigheden tijdelijk geen werkzaamheden voor C en ontvangen die werknemers gedurende die bepaalde periode een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Na afloop van die periode keren de desbetreffende werknemers doorgaans weer terug naar C teneinde de werkzaamheden voor haar te hervatten.

3.1.2. C heeft aan zes werknemers een bedrag van ƒ 2500 uitgekeerd onder toepassing van de vrijstelling van artikel 11, lid 1, letter q, van de Wet op de loonbelasting 1964 zoals deze voor het onderhavige tijdvak luidde (hierna: de Wet) voor uitkeringen die eenmaal worden toegekend na het bereiken van een diensttijd van ten minste 25 jaar.

3.2. Voor het Hof was in geschil of de perioden waarin de werknemers geen arbeid voor C verrichtten, en zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvingen, mee dienen te tellen voor de bepaling van de diensttijd van deze werknemers. Het Hof heeft geoordeeld dat deze perioden niet kunnen worden beschouwd als diensttijd in de zin van de diensttijdvrijstelling, omdat er geen sprake was van een (privaatrechtelijke) dienstbetrekking.

3.3. Middel I, dat zich met een rechtsklacht tegen dit oordeel keert, slaagt. 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat het te dezen gaat om diensttijdgratificaties, door C uitgekeerd aan werknemers die gedurende ten minste 25 jaar voor C hebben gewerkt en wier werkzaamheden voor C in dat tijdvak uitsluitend zijn onderbroken in de wintermaanden vanwege het geringere aantal opdrachten als gevolg van de weersomstandigheden; over die perioden van tijdelijke onderbreking hebben de werknemers een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet genoten; zij hebben in die tussenliggende perioden niet bij een andere werkgever gewerkt. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat die werknemers bij C een diensttijd hebben bereikt van ten minste 25 jaar als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter q, van de Wet, zodat de uitkeringen op grond van die bepaling niet tot het loon behoren.

3.4. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Gelet op het vorenoverwogene kan de onderhavige naheffingsaanslag niet in stand blijven. De overige middelen behoeven geen behandeling.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraak van de Inspecteur,

vermindert de aanslag tot een aanslag van ƒ 3520,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 87, alsmede het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 27, derhalve in totaal € 114,

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, A.R. Leemreis, C.J.J. van Maanen en C.A. Streefkerk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2005.