Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AS3646

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-05-2005
Datum publicatie
13-05-2005
Zaaknummer
C04/014HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AS3646
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

13 mei 2005 Eerste Kamer Nr. C04/014HR RM/JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: CORPORATE VALUE ASSOCIATES B.V., gevestigd te Amsterdam, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. C.B. Schutte, t e g e n DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën), gevestigd te 's-Gravenhage, VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. M. Ynzonides. 1. Het verloop van het geding tot dusver...

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 47
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-1006
JOL 2005, 286
NJ 2005, 423 met annotatie van J.W. Zwemmer
RvdW 2005, 70
V-N 2005/35.6 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 mei 2005

Eerste Kamer

Nr. C04/014HR

RM/JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

CORPORATE VALUE ASSOCIATES B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. C.B. Schutte,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën),

gevestigd te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. M. Ynzonides.

1. Het verloop van het geding tot dusver

Voor het verloop van het geding in cassatie tot dusver tussen eiseres tot cassatie - verder te noemen: CVA - en verweerder in cassatie - verder te noemen: de Staat - verwijst de Hoge Raad naar zijn arrest in het incident van 9 april 2004. Bij dat arrest heeft de Hoge Raad CVA niet-ontvankelijk verklaard in haar incidentele vordering tot schorsing met onmiddellijke ingang van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Amsterdam van 12 juni 2003 en de tenuitvoerlegging daarvan.

Vervolgens is de zaak voor partijen schriftelijk toegelicht door hun advocaten en voor de Staat mede door mr. A.M.C. Dekker, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van CVA heeft bij brief van 2 februari 2005 op die conclusie gereageerd.

2. Uitgangspunten in cassatie

Het gaat in dit geding om het volgende.

(i) Eind 2001 heeft de FIOD-ECD, team Haarlem, op grond van art. 5 lid 1 Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (WIB) van een buitenlandse autoriteit een verzoek om inlichtingen met betrekking tot CVA ontvangen. Bij brief van 10 september 2002 is namens de inspecteur van de Belastingdienst Grote Ondernemingen te Rotterdam (hierna: de Belastingdienst), aangekondigd dat op 19 september 2002 op het kantoor van CVA een onderzoek zal worden ingesteld naar aanleiding van het hiervoor bedoelde verzoek. In deze brief is vermeld dat het onderzoek betrekking heeft op de jaren 1997-2000 en dat het plaatsvindt naar aanleiding van een verzoek uit het buitenland op grond van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting. In deze brief is aan CVA medegedeeld dat de Belastingdienst ten behoeve van het onderzoek over bepaalde, in die brief nader omschreven, gegevens wenst te beschikken.

(ii) Bij brief van 12 september 2002 heeft KPMG Meijburg & Co (hierna: KPMG) namens CVA aan de Belastingdienst bericht vraagtekens te plaatsen bij de rechtmatigheid van het voorgenomen onderzoek en verzocht om nadere infor-matie, alvorens de medewerking van CVA toe te zeggen.

(iii) In de maanden oktober 2002 tot en met februari 2003 hebben uitvoerig overleg en correspondentie tussen de Belastingdienst en KPMG/CVA plaatsgehad. Hierin heeft de Belastingdienst vastgehouden aan zijn standpunt dat CVA was gehouden aan het hiervoor bedoelde onderzoek mee te werken, zonder te beschikken over de gevraagde infor-matie, terwijl KPMG/CVA het tegengestelde standpunt heeft verdedigd. Beide partijen hebben in deze periode hun standpunten over en weer uitgebreid toegelicht, doch dit heeft niet tot overeenstemming geleid.

(iv) De Staat heeft CVA in kort geding doen dagvaarden en gevorderd dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam CVA zal gebieden op straffe van een dwangsom medewerking te verlenen aan het onderzoek van de Staat op grond van art. 8 WIB in verbinding met hoofdstuk VIII, afdeling 2, Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). De voorzieningenrechter heeft CVA daartoe veroordeeld. De voorzieningenrechter heeft daartoe onder meer overwogen - in rov. 14 waar zij haar in het voorafgaande gegeven oordelen samenvat - dat de Staat op grond van art. 8 WIB, in samenhang met de art. 47 en 53 AWR, de bevoegdheid heeft tot het verrichten van onderzoek, zonder daarbij te zijn gehouden CVA de door haar gewenste informatie te verstrekken, dat de Staat een groot belang heeft bij het (afgeschermd) kunnen verrichten van een dergelijk onderzoek en dat CVA voorshands geen rechtens te respecteren grond, noch een voldoende zwaarwegend belang heeft haar medewerking aan dit onderzoek te weigeren.

(v) Het hof heeft de grieven van CVA verworpen. Het heeft daartoe onder meer overwogen dat het de rov. 9-13 van het vonnis van de voorzieningenrechter overneemt en tot de zijne maakt.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

3.1 De Staat heeft bij verweerschrift in cassatie betoogd dat CVA niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar beroep bij gebreke van een rechtens te respecteren belang daarbij. Hij heeft daartoe aangevoerd dat CVA inmiddels bekend is geworden met de identiteit van de verzoekende buitenlandse autoriteit en de omschrijving van de verstrekte inlichtingen waardoor aan het aanvankelijke bezwaar van CVA is tegemoetgekomen en dat het desbetreffende onderzoek inmiddels is afgerond waardoor de onderhavige procedure geen invloed meer kan uitoefenen op de feitelijke gang van zaken.

CVA heeft daartegenover onder meer aangevoerd dat reeds het enkele procesbelang gemoeid met haar veroordeling in de kosten van het geding aan niet-ontvankelijkheid in de weg staat.

3.2 Het standpunt van CVA is juist, zodat het verweer van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

4. Beoordeling van het middel

4.1 Onderdeel 2.1 - onderdeel 1 bevat slechts een inleiding - bevat de klacht dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting heeft blijk gegeven door te oordelen dat het stelsel en de strekking van de WIB eraan in de weg staan dat de Belastingdienst CVA informeert over de identiteit van de buitenlandse autoriteit en de inhoud van het verzoek. Dit onderdeel mist feitelijke grondslag. Het hof heeft immers niet overwogen hetgeen in het onderdeel wordt gesteld, doch geoordeeld dat de WIB de Minister niet ertoe verplicht de belanghebbende reeds bij het instellen van het onderzoek als bedoeld in art. 8 WIB de in art. 5 lid 2 WIB vermelde informatie te verstrekken.

4.2.1 Onderdeel 2.2 behelst de rechtsklacht dat het hof een onjuiste uitleg en toepassing heeft gegeven aan de WIB door de weigering van de Belastingdienst om de door CVA gevraagde informatie te verstrekken te billijken en aldus toe te staan dat CVA zich onderwerpt aan een onderzoek waarvan zij de rechtmatigheid niet kan laten vaststellen door de rechter.

4.2.2 Op het in verband met die toetsing van de rechtmatigheid gevoerde verweer van CVA, dat van haar in zijn algemeenheid niet kan worden gevergd haar medewerking te verlenen aan een onderzoek waarvan achteraf kan blijken dat de resultaten niet op de voet van de WIB aan de verzoekende buitenlandse autoriteit kunnen worden meegedeeld (bijvoorbeeld omdat zich een van de weigeringsgronden als bedoeld in art. 13 lid 1 WIB voordoet), heeft het hof geoordeeld dat deze mogelijkheid niet aan de rechtmatigheid van het onderzoek afdoet, nu de resultaten van dat onderzoek van belang kunnen zijn voor het antwoord op de vraag of de Minister inlichtingen zal verstrekken aan de verzoekende autoriteit. Dat oordeel is juist: het onderzoek als bedoeld in art. 8 WIB, dat blijkens de wetsgeschiedenis mede ertoe kan strekken te beoordelen òf het verzoek kan worden ingewilligd, is niet reeds onrechtmatig indien achteraf zou blijken dat de resultaten daarvan niet aan de verzoekende autoriteit kunnen worden meegedeeld.

Een belanghebbende is op grond van art. 8 lid 2 WIB in verbinding met art. 47 AWR verplicht tot medewerking aan het onderzoek. Indien de Minister na een onderzoek als vorenbedoeld een besluit tot inwilliging van het verzoek om inlichtingen heeft genomen, dient hij - in beginsel alvorens uitvoering aan dat besluit te geven - degene van wie de inlichtingen afkomstig zijn daarvan in kennis te stellen en deze de in art. 5 lid 2 WIB bedoelde informatie te verstrekken. Tegen dat besluit staat bezwaar en beroep op grond van de Awb open. Daarbij kan ook de rechtmatigheid van het onderzoek ten toets komen. Onderdeel 2.2 faalt.

4.3 De in de onderdelen 3-5 van het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt CVA in de kosten van het geding in cassatie tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 316,34 aan verschotten en op € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, W.A.M. van Schendel en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 13 mei 2005.