Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AS3534

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-01-2005
Datum publicatie
21-01-2005
Zaaknummer
R04/053HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AS3534
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

21 januari 2005 Eerste Kamer Nr. R04/053HR RM/AS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: 1. de rechtspersoon naar het recht van de staat Delaware, Verenigde Staten van Amerika HFTP INVESTMENT LLC, gevestigd te New York, Verenigde Staten van Amerika, 2. de rechtspersoon naar het recht van de Kaaiman Eilanden, GAIA OFFSHORE MASTER FUND LIMITED, gevestigd op de Kaaiman Eilanden, 3. de rechtspersoon naar het recht van de Kaaiman Eilanden, CAERUS FUND LIMITED, gevestigd op de Kaaiman Eilanden, VERZOEKSTERS tot cassatie, advocaat: mr. G. Snijders, t e g e n 1. MR. R.J. GRAAF SCHIMMELPENNINCK, 2. MR. M.Ph. VAN SINT TRUIDEN, beiden in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van Jomed N.V., kantoorhoudende te Amsterdam, VERWEERDERS in cassatie, advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 69, geldigheid: 2005-01-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2005/104 met annotatie van mr. R.J. Abendroth
JOL 2005, 25
NJ 2005, 249
RvdW 2005, 13
Ondernemingsrecht 2005, 212
JWB 2005/25

Uitspraak

21 januari 2005

Eerste Kamer

Nr. R04/053HR

RM/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

1. de rechtspersoon naar het recht van de staat Delaware, Verenigde Staten van Amerika HFTP INVESTMENT LLC,

gevestigd te New York, Verenigde Staten van Amerika,

2. de rechtspersoon naar het recht van de Kaaiman Eilanden, GAIA OFFSHORE MASTER FUND LIMITED,

gevestigd op de Kaaiman Eilanden,

3. de rechtspersoon naar het recht van de Kaaiman Eilanden, CAERUS FUND LIMITED,

gevestigd op de Kaaiman Eilanden,

VERZOEKSTERS tot cassatie,

advocaat: mr. G. Snijders,

t e g e n

1. MR. R.J. GRAAF SCHIMMELPENNINCK,

2. MR. M.Ph. VAN SINT TRUIDEN, beiden

in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van Jomed N.V.,

kantoorhoudende te Amsterdam,

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Bij verzoekschrift gedateerd 27 augustus 2003 hebben verzoeksters tot cassatie - verder te noemen: de Funds - zich gewend tot de rechter-commissaris in het faillissement van Jomed N.V. en verzocht verweerders in cassatie - verder te noemen: de curatoren - te bevelen binnen veertien dagen na indiening van het verzoekschrift:

(i) een boedelbeschrijving en een staat van baten en schulden per faillissementsdatum te deponeren ter griffie van de rechtbank, als voorgeschreven in de artikelen 94 tot en met 97 F.;

(ii) het openbaar verslag van 1 juli 2003 aan te vullen in dier voege dat ten minste:

(a) de in het verzoekschrift genoemde gebreken zijn hersteld;

(b) de Funds zich uit die verslagen een gefundeerd oordeel kunnen vormen over de toestand van de boedel en het door de curatoren gevoerde beleid, beheer en vereffening tot aan de datum van de te deponeren aanvulling;

(c) de Funds afschriften te zenden van de sub (i) en (ii) genoemde stukken

Bij beschikking van 5 september 2003 (beschikking A) heeft de rechter-commissaris in de rechtbank te Amsterdam het verzoek van de Funds afgewezen.

Van deze beschikking zijn de Funds op de voet van art. 67 F. in hoger beroep gekomen bij de rechtbank te Amsterdam.

Ter verificatievergadering van 2 oktober 2003 hebben de Funds vragen gesteld aan de curatoren en, nadat de curatoren naar de mening van de Funds daarop onvoldoende hadden geantwoord, de rechter-commissaris mondeling verzocht de curatoren te bevelen de vragen van de Funds binnen twee weken schriftelijk te beantwoorden.

Op verzoek van de rechter-commissaris hebben de Funds hun vragen bij brief van 9 oktober 2003 schriftelijk ingediend.

Nadat de curatoren bij brief van 20 oktober 2003 op het verzoek van de Funds hadden gereageerd, heeft de rechter-commissaris bij beschikking van 30 oktober 2003 (beschikking B) het verzoek van de Funds grotendeels afgewezen.

Tegen deze beschikking hebben de Funds hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te Amsterdam.

De rechtbank heeft beide beroepen gezamenlijk behandeld. Bij beschikking van 7 april 2004 heeft de rechtbank beschikking A van de rechter-commissaris bekrachtigd en voorts in het hoger beroep tegen beschikking B de Funds in de gelegenheid gesteld met betrekking tot een aantal specifieke punten een nadere toelichting te geven.

De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank hebben de Funds beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De curatoren hebben bij verweerschrift verzocht het beroep te verwerpen en hebben tevens incidenteel cassatieberoep ingesteld. Bij brief van 19 mei 2004 hebben de curatoren het incidentele beroep evenwel ingetrokken.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het principale beroep.

De advocaat van de Funds en de advocaat van de curatoren hebben bij brief van 15 oktober 2004 onderscheidelijk bij brief van 14 oktober 2004 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 De rechtbank Amsterdam heeft op 23 januari 2003 aan Jomed N.V. voorlopig surseance van betaling verleend met benoeming van mr. A. van Dijk tot rechter-commissaris en van thans curatoren tot bewindvoerders. Op 2 mei 2003 heeft de rechtbank Jomed N.V. in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. van Dijk tot rechter-commissaris en aanstelling van de curatoren als zodanig. De Funds hebben een aanzienlijke vordering op Jomed N.V.

3.2 Bij verzoekschrift van 27 augustus 2003 hebben de Funds de rechter-commissaris verzocht curatoren te bevelen, samengevat weergegeven:

(a) Een boedelbeschrijving en een staat van baten en schulden per faillissementsdatum te deponeren ter griffie van de rechtbank.

(b Het openbaar verslag van 1 juli 2003 aan te vullen in dier voege dat ten minste:

- de in het verzoekschrift genoemde gebreken zijn hersteld;

- de Funds zich uit die verslagen een gefundeerd oordeel kunnen vormen over de toestand van de boedel en het door curatoren gevoerde beleid, beheer en vereffening tot aan de datum van de te deponeren aanvulling.

In het verzoekschrift hebben de Funds een groot aantal vragen geformuleerd, waarop volgens hen het antwoord in de verslagen van curatoren ontbreekt. Bij beschikking van 5 september 2003 heeft de rechter-commissaris dit verzoek afgewezen.

Nadat curatoren op de verificatievergadering van 2 oktober 2003 vragen van de Funds naar de mening van dezen onvoldoende hadden beantwoord, hebben de Funds de rechter-commissaris verzocht de curatoren te bevelen de vragen schriftelijk te beantwoorden. Curatoren hebben een reactie op de vragen gegeven en de rechter-commissaris heeft vervolgens bij beschikking van 30 oktober 2003 het verzoek van de Funds grotendeels afgewezen.

Bij haar in cassatie bestreden beschikking heeft de rechtbank beschikking A van de rechter-commissaris bekrachtigd en op het hoger beroep tegen beschikking B van de rechter-commissaris een tussenbeschikking gegeven, met bepaling dat tegen deze tussenbeschikking beroep in cassatie openstaat.

3.3 Onderdeel 1 richt zich tegen rov. 3.1 van de beschikking van de rechtbank met de klacht dat de gedachtegang van de rechtbank dat de Funds niet langer antwoord willen hebben op de vragen die in het verzoekschrift van 27 augustus 2003 zijn gesteld, maar niet opnieuw worden gesteld in de brief van 9 oktober 2003, en haar daarop gebaseerde oordeel dat de Funds hun beroep tegen beschikking A in zoverre niet hebben willen handhaven, onbegrijpelijk zijn. Deze klacht is ongegrond. Uit de beschikking van de rechtbank (rov. 1 onder e. - g.) blijkt dat de rechter-commissaris in haar beschikking A voor de beantwoording van de in het verzoekschrift van 27 augustus 2003 gestelde vragen heeft verwezen naar het openbaar verslag en zo nodig de verificatievergadering, waarna de Funds, die deze beantwoording als onvoldoende aanmerkten, de rechter-commissaris mondeling hebben verzocht de curatoren te bevelen de vragen schriftelijk te beantwoorden en vervolgens, op verzoek van de rechter-commissaris, deze vragen schriftelijk hebben uitgewerkt in hun brief van 9 oktober 2003. Kennelijk heeft de rechtbank uit de omstandigheid dat niet alle vragen in het verzoekschrift van 27 augustus 2003 zijn herhaald in de brief van 9 oktober 2003, afgeleid dat de naar het oordeel van de Funds onvoldoende beantwoording enkel betrekking had op de in deze brief herhaalde en uitgewerkte vragen, en dat de Funds wat betreft de niet herhaalde vragen genoegen namen met de reeds gegeven antwoorden. Van dit oordeel behoefde de rechtbank zich niet te laten weerhouden door de in het onderdeel vermelde passages van de pleitnota in hoger beroep van de advocaat van de Funds, nu naar haar kennelijke oordeel deze passages uitsluitend betrekking hadden op de vragen die in de brief van 9 oktober 2003 waren herhaald. Dit een en ander berust op een aan de rechtbank voorbehouden uitleg van de stukken van het geding en is niet onbegrijpelijk.

3.4 Voor zover onderdeel 2, dat zich richt tegen rov. 4.1 van de beschikking van de rechtbank, voortbouwt op onderdeel 1, moet het het lot daarvan delen. Voor zover het onderdeel meer in het bijzonder klaagt dat de rechtbank de omvang van het hoger beroep te beperkt heeft opgevat, nu dit onmiskenbaar mede tot inzet heeft dat reeds bij beschikking A de curatoren bevolen had moeten worden hun verslagen op de in het verzoekschrift van 27 augustus 2003 genoemde punten aan te vullen, is het eveneens tevergeefs voorgesteld. Kennelijk heeft de rechtbank dit verzoekschrift aldus begrepen dat de verlangde aanvulling haar neerslag had gevonden in de daarin gestelde vragen. Deze aan de rechtbank voorbehouden uitleg van de stukken van het geding geeft niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent de werking van het hoger beroep en is niet onbegrijpelijk.

3.5 De onderdelen 3a en 3b richten zich eveneens tegen rov. 4.1.

Onderdeel 3a bestrijdt met een rechts- en motiveringsklacht het oordeel van de rechtbank dat de Funds onvoldoende hebben toegelicht waarom curatoren met hun eerste en tweede verslag niet behoorlijk hebben voldaan aan hun verplichtingen ingevolge art. 94 - 97 F. Daartoe verwijst het onderdeel naar een aantal in het verzoekschrift van 27 augustus 2003 en in de bijlage bij de brief van 9 oktober 2003 genoemde concrete punten waarop die verslagen tekortschieten.

Met deze overweging heeft de rechtbank tot uitdrukking gebracht dat aan de verslagen geen verdergaande eisen van detaillering en met name niet de eisen als waarop het onderdeel doelt, kunnen worden gesteld. In aanmerking genomen dat het in dit geval gaat om een eerste en een tweede verslag in een omvangrijk en ingewikkeld faillissement, heeft de rechtbank aldus overwegende niet blijk gegeven van een onjuiste opvatting omtrent de art. 94 - 97 F. en de daaruit voor curatoren voortvloeiende verplichtingen, zodat de rechtsklacht faalt. Het oordeel van de rechtbank, dat berust op uitleg van de stukken van het geding, is niet onbegrijpelijk en behoefde, in het licht van het summiere karakter van de onderhavige procedure, geen nadere motivering, zodat ook de motiveringsklacht faalt.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat onderdeel 3b eveneens faalt. Door in haar oordeel te betrekken dat de afwikkeling van de boedel nog in het beginstadium verkeerde, heeft de rechtbank niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin haar oordeel ontoereikend gemotiveerd. Zoals voor de hand ligt en het onderdeel ook zelf als mogelijk veronderstelt, heeft de rechtbank kennelijk in aanmerking genomen dat de curatoren nog niet over voldoende gegevens voor een gedetailleerder verslag beschikten. Anders dan het onderdeel wil, brengt het summiere karakter van de onderhavige procedure mee dat de rechtbank niet behoefde aan te duiden op welke concrete punten de curatoren naar haar oordeel niet over voldoende gegevens beschikten.

Onderdeel 3c, dat zich richt tegen rov. 7.3 van de bestreden beschikking, bouwt voort op de hiervoor behandelde onderdelen 3a en 3b en moet het lot daarvan delen.

3.6 In rov. 5, eerste alinea, van haar beschikking heeft de rechtbank herinnerd aan het kader waarbinnen het verzoek van de Funds de door haar gewenste informatie te verkrijgen moet worden beoordeeld, te weten het uitlokken van een bevel van de rechter-commissaris aan curatoren.

Binnen dit in cassatie niet bestreden kader heeft de rechtbank vooropgesteld dat de wet de schuldeisers niet met zoveel woorden een recht op informatieverstrekking door curatoren toekent, en vervolgens overwogen, kort samengevat, dat schuldeisers wel met het oog op de toepassing van art. 69 F. over informatie moeten kunnen beschikken en dat zij tegen weigering die informatie te verstrekken langs de weg van art. 69 F. kunnen opkomen. Tegen deze achtergrond faalt onderdeel 4. Het ziet eraan voorbij dat het de rechtbank niet ging om de - door haar dan ook niet beantwoorde - vraag in hoeverre uit de Faillissementswet, behalve uit de daartoe in het bijzonder strekkende bepalingen, zoals ook in het onderdeel vermeld, in het algemeen een recht op informatieverstrekking voorvloeit, maar om de vraag of een bevel als bedoeld in art. 69 F. mede een bevel tot het verstrekken van informatie kan omvatten. Door deze vraag in beginsel bevestigend te beantwoorden voor zover het gaat om informatie die de schuldeisers nodig hebben om zich een behoorlijk beeld van het beheer van de curator te vormen, heeft de rechtbank niet een onjuiste maatstaf gehanteerd. Daarbij heeft de rechtbank kennelijk en met juistheid in aanmerking genomen dat het voorschrift van art. 69 F. een beperkte strekking heeft en in beginsel slechts is gegeven om de daarin genoemden invloed toe te kennen op het beheer over de failliete boedel en om, zo zij menen dat bij dit beheer fouten worden gemaakt, deze te doen herstellen of voorkomen, en niet om hen in de gelegenheid te stellen op deze eenvoudige wijze aan hen persoonlijk toekomende rechten tegenover de boedel geldend te maken (HR 10 mei 1985, nr. 6771, NJ 1985, 792, rov. 3.2).

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, vloeit voort dat ook onderdeel 5 tevergeefs is voorgesteld.

3.7 Onderdeel 6a verwijt de rechtbank dat zij met haar overweging dat zal moeten worden bezien of, alle omstandigheden in aanmerking genomen, de verlangde informatie van dien aard is dat de schuldeisers deze in redelijkheid nodig hebben om van hun rechten met betrekking tot het beheer van de boedel gebruik te kunnen maken, is uitgegaan van een te beperkte benadering, en strekt ten betoge dat de schuldeisers in beginsel desverlangd alle beschikbare informatie zal moeten worden gegeven.

Met de door het onderdeel bestreden overweging heeft de rechtbank, met name door de eis dat alle omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen, tot uitdrukking gebracht dat bij de beantwoording van de vraag of de rechter-commissaris de curator ingevolge art. 69 F. behoort te bevelen aan de schuldeisers bepaalde informatie te verstrekken, een belangenafweging moet worden gemaakt, waarin niet alleen, zoals ook het onderdeel onderkent, de belangen aan de zijde van de boedel en/of de curatoren bij het niet verstrekken van de informatie, maar ook de belangen van de schuldeisers bij het wel verstrekken daarvan moeten worden betrokken. Bij dit laatste kan onder meer worden gedacht aan het geval dat de gewenste informatie ook op andere wijze, bijvoorbeeld op de voet van andere bepalingen van de Faillissementswet, kan worden verkregen of had kunnen zijn verkregen. Aldus verstaan geeft deze overweging niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, zodat het onderdeel doel mist.

Het falen van onderdeel 6a brengt mee dat de rechtbank in rov. 6.1 - 6.4 van haar beschikking terecht ervan is uitgegaan dat de schuldeiser met het oog op de belangenafweging vooraf dient aan te geven waarom hij de verlangde informatie nodig heeft en welk belang hij daarbij heeft, zodat de onderdelen 6b en 6c tevergeefs zijn voorgesteld.

3.8 Onderdeel 7 voert aan dat de rechtbank blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in rov. 6.1 van haar beschikking te oordelen dat het recht op informatie van de schuldeisers zich niet uitstrekt tot de verantwoording achteraf van het gevoerde beheer. Het onderdeel kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. De rechtbank heeft zich niet in algemene zin uitgelaten zoals in het onderdeel weergegeven. Zij heeft, in cassatie niet bestreden, overwogen dat de vragen waarom het hier gaat, kennelijk ertoe strekken de Funds een handvat te geven bij de beoordeling of aansprakelijkstelling van de boedel, curatoren dan wel de Staat (de rechter-commissaris) voor het gevoerde beleid tot de mogelijkheden behoort. Zoals voortvloeit uit hetgeen hiervoor in 3.6 is overwogen, is haar, in cassatie evenmin bestreden, oordeel dat een dergelijk belang niet een belang is waarop art. 69 F ziet, juist.

3.9 Voor zover onderdeel 8 klaagt dat de rechtbank in rov. 8 van haar beschikking ten onrechte heeft geoordeeld dat niet duidelijk is welke informatie het openbaar verslag als bedoeld in art. 73a F. dient te bevatten en wat precies de bedoeling van het openbaar verslag is, kan het bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. De rechtbank heeft niet aldus geoordeeld, maar overwogen dat noch de wet(sgeschiedenis) noch de jurisprudentie een duidelijke aanwijzing omtrent een en ander geeft. Voor zover het onderdeel klaagt over onjuistheid van het oordeel van de rechtbank dat het openbaar verslag ertoe dient een "globaal inzicht" te geven, is het eveneens tevergeefs voorgesteld. Het bestreden oordeel dient te worden beschouwd in verband met hetgeen de rechtbank daarop laat volgen, te weten dat het openbaar verslag met name niet dient als een volledige verantwoording van de afwikkeling van de boedel en dat curatoren die verantwoording verschuldigd zijn aan de rechter-commissaris die met het toezicht op het beheer en de vereffening van de failliete boedel is belast. Gelet op het stelsel van de Faillissementswet heeft de rechtbank, aldus overwegende, juiste maatstaven geformuleerd en voldoende duidelijk uiteengezet op grond waarvan niet kan worden aangenomen dat de informatieverstrekking in het verslag volledig - in de betekenis die aan dit woord in het onderdeel wordt gegeven - moet zijn.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het op onderdeel 8 voortbouwende onderdeel 9 evenmin doel treft.

3.10 In haar rov. 6.2, 6.3, 6.4 en 7.4 heeft de rechtbank met betrekking tot de daar vermelde vragen van de Funds in verschillende bewoordingen telkens geoordeeld dat zij een nadere toelichting nodig achtte en de Funds daartoe gelegenheid gegeven. De samenvattende weergave daarvan in rov. 8 dat onvoldoende is toegelicht waarom de verslagen, afgezien van het door de rechtbank vermelde bevel met betrekking tot de Volcano-transactie, niet voldoen aan de eisen die daaraan moeten worden gesteld, is daarmee niet in tegenspraak en ook overigens niet onbegrijpelijk. Onderdeel 10 is derhalve tevergeefs voorgesteld.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de Funds in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curatoren begroot op € 333,38 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 21 januari 2005.