Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AS2745

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-02-2005
Datum publicatie
19-07-2007
Zaaknummer
01802/04 H
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AS2745
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 februari 2005

Strafkamer

nr. 01802/04 H

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Zwolle van 22 april 2003, nummer 07/060162-03, ingediend door mr. G.J. Hubers, advocaat te Dordrecht, namens:

[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, wonende te [woonplaats].

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van "medeplegen van verduistering" veroordeeld tot een geldboete van € 350,-- subsidiair zeven dagen hechtenis. Het betrof verduistering van een hoeveelheid benzine op 14 februari 2003.

2. De aanvrage tot herziening

2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrager voert daartoe aan dat niet hij, maar een onbekend gebleven ander het bewezenverklaarde feit heeft begaan, dat enkele maanden voor het bewezenverklaarde feit aanvragers rijbewijs en identiteitsbewijs zijn gestolen, dat deze kennelijk in het bezit zijn gekomen van de onbekend gebleven andere persoon die het bewezenverklaarde feit heeft gepleegd en dat diegene bij zijn aanhouding wegens het onderhavige feit tegenover de politie de personalia van de aanvrager heeft opgegeven.

3. De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal

De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren, de opschorting van de tenuitvoerlegging van het gewijsde zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te Arnhem, teneinde de zaak op de voet van art. 467 Sv opnieuw te berechten en af te doen.

4. Beoordeling van de aanvrage

4.1. Bij de aanvrage is gevoegd een proces-verbaal van aangifte opgemaakt op 26 november 2002, inhoudende dat op 23 november 2002 uit de auto van [betrokkene 1] enkele goederen zijn gestolen, toebehorende aan [betrokkene 1] en/of de aanvrager, waaronder een rijbewijs en een identiteitsbewijs.

4.2. Voorts is aan de aanvrage gehecht een kopie van een op 26 april 2004 ten kantore van mr. Van Drongelen afgelegde verklaring, inhoudende:

"Ten overstaan van Mr. J. van Drongelen, advocaat en procureur te Dordrecht verklaart:

Ondergetekende,

[Betrokkene 2]

(...)

Het volgende:

Ik ben op 14 februari 2003 opgepakt voor verduistering. Ik was samen met een jongen van wie ik de naam niet meer weet, maar het was in ieder geval [aanvrager] niet.

Ik heb hem pas voor het eerst gezien toen deze strafzaak aan de orde kwam en hij was een andere persoon dan met wie ik werd opgepakt."

4.3. Uit de hiervoor bedoelde aangifte blijkt niet onomstotelijk dat het de identiteitspapieren van de aanvrager zijn waarvan de vermissing is aangegeven, zodat de daarop gerichte stelling van de aanvrager in zoverre niet door bewijs wordt ondersteund. Voorts blijkt uit de hiervoor onder 4.2 weergegeven verklaring noch anderszins of de identiteit van de zich [betrokkene 2] noemende persoon door mr. Van Drongelen is geverifieerd.

4.4. Hieruit volgt dat niet kan worden gesproken van een ernstig vermoeden als hiervoor onder 3.1 bedoeld. De aanvrage is dus ongegrond en moet ingevolge art. 468 Sv worden afgewezen.

5. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 22 februari 2005.