Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AS2710

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-04-2005
Datum publicatie
15-04-2005
Zaaknummer
C04/132HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AS2710
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

15 april 2005 Eerste Kamer Nr. C04/132HR RM Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [Eiser 1], 2. [Eiseres 2] beiden wonende te [woonplaats], EISERS tot cassatie, advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens, t e g e n 1. [Verweerder 1], 2. [Verweerster 2], beiden wonende te [woonplaats], VERWEERDERS in cassatie, advocaat: mr. J. Wuisman. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 164
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 213
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 236
NJ 2005, 272
RvdW 2005, 58
JWB 2005/153
JBPr 2005/49 met annotatie van mw. mr. H.L.G. Wieten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 april 2005

Eerste Kamer

Nr. C04/132HR

RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiser 1],

2. [Eiseres 2]

beiden wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,

t e g e n

1. [Verweerder 1],

2. [Verweerster 2],

beiden wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. J. Wuisman.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser] c.s. - hebben bij exploot van 18 augustus 1997 verweerders in cassatie - verder te noemen: [verweerder] c.s. - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd [verweerder] c.s. te veroordelen aan [eiser] c.s. te vergoeden de schade die zij lijden ten gevolge van de aanwezigheid van puin in hun tuin, vermeerderd met de door [eisers] gemaakte kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 1996 tot aan de dag der algehele voldoening.

[Verweerder] c.s. hebben de vordering bestreden.

Na een ingevolge een tussenvonnis van 2 december 1997 op 20 januari 1998 gehouden comparitie van partijen heeft de rechtbank bij eindvonnis van 28 april 1999 [verweerder] c.s. veroordeeld tot vergoeding van 50% van de schade van [eiser] c.s. als gevolg van de aanwezigheid van het puin in de achtertuin van het perceel [a-straat 1] te [woonplaats], op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Het meer of anders gevorderde heeft de rechtbank afgewezen.

Tegen het eindvonnis van de rechtbank hebben [verweerder] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. [Eiser] c.s. hebben incidenteel hoger beroep ingesteld, voor zover hun vordering gedeeltelijk was afgewezen.

Bij tussenarrest van 20 maart 2002 heeft het hof [eiser] c.s. toegelaten te bewijzen dat voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst voor [verweerder] c.s. voldoende duidelijk ter sprake is geweest, dat [eiser] c.s. de hele achtertuin wilden beplanten met fruitbomen. Na getuigenverhoren op 13 mei en 12 september 2002 heeft het hof bij eindarrest van 16 januari 2004 het eindvonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [eiser] c.s. afgewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen beide arresten van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en - wat [verweerder] c.s. betreft - mede door mr. D.J. Beenders, advocaat te 's-Gravenhage.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] c.s. in hun cassatieberoep tegen het tussenarrest en tot verwerping van hun cassatieberoep tegen het eindarrest.

3. Uitgangspunten in cassatie

Wat betreft de feiten en het verloop van de procedure verwijst de Hoge Raad naar de punten 1.1.1 tot en met 1.1.3 van de conclusie van de Advocaat-Generaal en naar het hiervoor in 1 overwogene.

4. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

[Eiser] c.s. hebben tegen het tussenarrest geen middel aangevoerd en zijn derhalve in zoverre niet-ontvankelijk in hun beroep.

5. Beoordeling van het middel

5.1 Het hof heeft in rov. 12 van zijn eindarrest geoordeeld dat de getuigen [eiser 1] en [eiseres 2] als partijgetuigen moeten worden aangemerkt, dat ingevolge art. 164 Rv. (art. 213 (oud) Rv.) de door hen afgelegde verklaringen geen bewijs in hun voordeel kunnen opleveren, tenzij deze verklaringen strekken ter ondersteuning van onvolledig bewijs en dat, nu los van hun beider getuigenverklaringen geen ander bewijs voorhanden is, zij niet zijn geslaagd in het hun opgedragen bewijs.

5.2 Het middel klaagt onder meer dat het hof aldus oordelende heeft miskend dat een verklaring van de ene partijgetuige kan dienen als begin van bewijs dat als aanvullend bewijsmiddel kan dienen bij de verklaring van de andere partijgetuige.

5.3 Deze klacht faalt. Een verklaring van een partijgetuige kan geen begin van bewijs opleveren dat als aanvullend bewijsmiddel kan dienen bij de verklaring van een andere partijgetuige. Zulks volgt niet alleen uit de tekst van art. 164 lid 2 Rv. (art. 213 lid 1 (oud) Rv.), maar ook uit de ratio van die bepaling, te weten dat het te ver zou gaan indien het aan de rechter vrijstond de juistheid van de stellingen van een der partijen, ondanks tegenspraak van de tegenpartij, te aanvaarden, uitsluitend op grond van de verklaring van de belanghebbende partij (Parl. Gesch. nieuw bewijsrecht, p. 175). Deze ratio geldt onverminderd in het geval van twee elkaar ondersteunende partijgetuigenverklaringen.

5.4 De overige in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu deze klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart [eiser] c.s. niet-ontvankelijk in hun beroep tegen het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 20 maart 2002;

verwerpt het beroep voor het overige;

veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op € 359,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst, P.C. Kop, W.A.M. van Schendel en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 15 april 2005.