Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AS2548

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-03-2005
Datum publicatie
22-03-2005
Zaaknummer
01661/04
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AS2548
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Het hof heeft bij tussenbeslissing geoordeeld dat de redelijke termijn is overschreden en dat zulks dient te leiden tot strafvermindering. In de eindbeslissing is wel het op de latere terechtzitting gevoerde tot niet-ontvankelijkheid strekkende verweer verworpen, maar het arrest houdt omtrent voorbedoelde strafvermindering niets in, zodat het, wat betreft de strafoplegging niet in stand kan blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 184
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 maart 2005

Strafkamer

nr. 01661/04

IV/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 22 oktober 2003, nummer 22/000153-01, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 11 december 2000 - de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding onder 3 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. "het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven", 2. "medeplegen van het opzettelijk verkopen, te koop aanbieden, afleveren en/of ten verkoop in voorraad hebben van waren die zelf of op hun verpakking valselijk waren voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht had en/of waren waarop of op de verpakking waarvan een handelsnaam van een ander of een merk waarop een ander recht heeft, zij het dan ook met een geringe afwijking, is nagebootst, terwijl hij het plegen van dit misdrijf als bedrijf uitoefent, meermalen gepleegd", 4. "opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd", 5. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III" en "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie", 6. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod", 7. "opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, meermalen gepleegd", 8. "medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18 van de Warenwet" en 9. "medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 3, vierde lid, van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening" veroordeeld ter zake van het onder 1, 2, 4, 5, 6 en 7 bewezenverklaarde tot dertig maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en ter zake van het onder 8 en 9 bewezenverklaarde tot twee geldboetes van elk tienduizend euro, subsidiair 180 dagen hechtenis, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. S. Dogan, advocaat te Wijk bij Duurstede, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering van die straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

3. Beoordeling van de bestreden uitspraak naar aanleiding van het middel en ambtshalve

3.1. Het middel klaagt dat het Hof het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, op ontoereikende gronden heeft verworpen.

3.2.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 16 oktober 2002 houdt in dat de raadsman van de verdachte bij wijze van preliminair verweer heeft betoogd dan het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging en daartoe het volgende heeft aangevoerd:

" (...) Overschrijding van de redelijke termijn; Op 26 juni 1994 is de echtgenote van verdachte gecontroleerd op Schiphol, vervolgens is verdachte op 1 juli 1994 als verdachte gehoord. Verdachte kon vanaf dat moment begrijpen dat hij vervolgd zou kunnen worden, echter het feit waarvoor hij toen is gehoord staat niet op de dagvaarding. Mitsdien is op 1 juli 1994 de vervolging tegen verdachte aangevangen om vervolgens pas in 2000 bij de rechtbank aangebracht te worden. Het vonnis dateert van 11 december 2000; de bewijsmiddelen zijn vervolgens pas op 21 november 2001 vastgesteld. Nu, acht jaar verder, wordt de zaak verwezen naar de rechter-commissaris voor het horen van getuigen. De rechter-commissaris is ook druk bezet, wellicht is er pas over een jaar een arrest van het hof."

3.2.2. In datzelfde proces-verbaal heeft het Hof aangaande dat verweer overwogen:

"Ten aanzien van het verweer met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM deelt de voorzitter mede dat de redelijke termijn met betrekking tot de tenlastegelegde feiten is geschonden; echter, dit dient, alles afwegende, niet te leiden tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging maar, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, tot strafvermindering."

3.2.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 8 oktober 2003 houdt, voorzover hier van belang, in:

"De raadsman voert primair aan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging vanwege (...) de overschrijding van de redelijke termijn."

3.2.4. Het bestreden arrest houdt als 's Hofs oordeel dienaangaande in:

"Van de zijde van de verdachte is een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wegens overschrijding van een redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, op grond dat sedert het verhoor van de verdachte door de FIOD/Douanerecherche op 1 juli 1994 een periode van ongeveer zes jaren is verstreken alvorens de vervolging aan te vangen.

Het hof overweegt daaromtrent het volgende. Tijdens voornoemd verhoor bekende de verdachte dat zijn echtgenote, bij wie op 26 juni 1994 een hoeveelheid anabole steroïden was aangetroffen, die middelen op zijn verzoek vanuit Spanje had meegenomen. Er is vervolgens uitsluitend tegen zijn echtgenote proces-verbaal opgemaakt. Voor zover dit verhoor dient te worden aangemerkt als een door of namens de Staat jegens de verdachte gestelde daad waaruit hij heeft opgemaakt of redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat jegens hem een vervolging zou worden ingesteld, dan zou de verwachting van de verdachte ter zake van die vervolging hooguit betrekking kunnen hebben op een op of omstreeks 26 juni 1994 gepleegde overtreding van artikel 3, vierde lid onder a, van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening. Dit is een overtreding waarvoor de verdachte in deze strafzaak niet wordt vervolgd en die inmiddels reeds is verjaard. Dit verweer wordt derhalve verworpen."

3.3. Het oordeel van het Hof is in het licht van het gevoerde verweer toereikend gemotiveerd. Voorzover het middel blijkens de toelichting erover beoogt te klagen dat het Hof "zich (...) niet heeft uitgelaten over de door de raadsman gestelde overschrijding van de redelijke termijn gedurende het algehele strafproces", mist het feitelijke grondslag aangezien het Hof het ter terechtzitting van 8 oktober 2003 gevoerde verweer kennelijk niet heeft opgevat in de door de verdachte thans voorgestane zin en, gelet op de bewoordingen waarin het verweer werd gevoerd, ook niet in die zin heeft behoeven op te vatten.

3.4. Zoals hiervoor onder 3.2.2 is weergegeven heeft het Hof bij tussenbeslissing van 16 oktober 2002 geoordeeld dat de redelijke termijn van berechting is overschreden en dat zulks, indien het Hof tot een bewezenverklaring komt, dient te leiden tot strafvermindering. Daarbij heeft het Hof gelet op hetgeen het omtrent de termijn van berechting in het eindarrest heeft overwogen, kennelijk en niet onbegrijpelijk niet het oog gehad op het tijdsverloop vanaf het gestelde verhoor op 26 juni 1994.

Het bestreden arrest houdt evenwel omtrent een zodanige strafvermindering niets in, zodat het, voor wat de strafoplegging betreft niet in stand kan blijven.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3.4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt het vorenoverwogene mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging;

Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 22 maart 2005.