Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AS1786

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-02-2005
Datum publicatie
15-02-2005
Zaaknummer
02023/04
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AS1786
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk opzet op medeplichtigheid aan gewapende overval. Hoewel het hof dienaangaande geen bijzondere bewijsoverweging in zijn arrest heeft opgenomen, moet worden aangenomen dat het van oordeel was dat sprake was van voorwaardelijk opzet, nu de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zijn scooter zou worden gebruikt bij een gewapende overval en de afspraak wat betreft verdachtes handelen nadien - het op een afgesproken plaats weer overnemen van die scooter van de daders van de overval - ertoe strekte de daders van die overval gelegenheid te geven dat feit te begaan. Dat oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 februari 2005

Strafkamer

nr. 02023/04

PB/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem van 13 november 2003, nummer 21/001190-03, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Utrecht van 25 februari 2003, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 6 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. "verkrachting, meermalen gepleegd", 3. "verkrachting", 4. "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht", 5. "mishandeling" en 6 subsidiair "medeplichtigheid aan diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen" veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarde als in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G.P. Hamer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van feit 6 subsidiair niet naar de eis der wet met redenen is omkleed aangezien uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte ten tijde van het verschaffen van de middelen opzet heeft gehad op de diefstal met geweld.

3.2. Het Hof heeft onder 6 subsidiair ten laste van de verdachte bewezenverklaard:

"dat [betrokkene 1] op 11 april 2001 te Utrecht (op de openbare weg, de Spoorstraat) tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een waardekoffer inhoudende een bedrag van fl. 33.995,60, toebehorende aan Geldnet B.V., welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen [het slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat die [betrokkene 1] en/of zijn mededader(s) [het slachtoffer] voornoemd met kracht de loop van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen de kaak heeft geduwd, waarop [het slachtoffer] voornoemd tegen een muur is gevallen en voornoemde waardekoffer heeft laten vallen, tengevolge waarvan [het slachtoffer] voornoemd letsel (een gekneusde kaak) heeft opgelopen en tot het plegen van welk feit hij, verdachte, op 11 april 2001 te Utrecht opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft door toen en daar opzettelijk daartoe die [betrokkene 1] en zijn mededader(s) een motorscooter (van het merk Italjet, type Formula 125) uit te lenen en na het plegen van het feit op een vooraf afgesproken plaats en tijdstip die scooter over te nemen van die [betrokkene 1] en zijn mededader(s)."

3.3. Voor wat betreft het middel is van belang bewijsmiddel 6.5 een verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg, inhoudende:

"[...] is de bijnaam van [betrokkene 1].

[Betrokkene 1] vroeg of hij mijn scooter mocht lenen. Ik was op 10 april 2001 bij hem langs gegaan. Ik hoorde dat [betrokkene 1] vertelde dat 11 april 2001 zijn grote dag zou worden en hij had mij daar voor nodig. Hij wilde daarvoor mijn motorscooter, een Italjet, Formula 125, lenen. [Betrokkene 1] zei dat hij iets ging doen waarbij hij een pistool zou gaan gebruiken en hij liet het vuurwapen zien. Ik zou geld krijgen voor het uitlenen van de scooter en het ophalen van de scooter op de afgesproken plaats. [Betrokkene 1] wees mij de plek aan waar ik die woensdag 's morgens om elf uur moest staan wachten totdat hij en de twee andere jongens daar naartoe zouden komen. Op 11 april 2001 kwamen ze met z'n tweeën de scooter halen. Ik ben toen op de fiets gestapt en gegaan naar de plek waar ik op ze moest wachten. Op een gegeven moment zag ik dat mijn motorscooter hard aan kwam rijden. [Betrokkene 1] bestuurde mijn scooter. Eén van de andere jongens droeg een grote zwarte koffer in zijn handen. Ik hoorde dat die koffer piepte. Ik heb de scooter overgenomen en bleef nog even staan kijken naar de piepende koffer. Meteen daarna hoorde ik dat de koffer begon te sissen. Toen ben ik weggereden. Ik heb mij schuldig gemaakt aan het uitlenen van mijn scooter aan [betrokkene 1]. Ook is het fout geweest om op die jongens te gaan staan wachten tot dat [betrokkene 1] mij die scooter weer af gaf."

3.4. Hoewel het Hof dienaangaande geen bijzondere bewijsoverweging in zijn arrest heeft opgenomen, moet worden aangenomen dat het van oordeel was dat sprake was van voorwaardelijk opzet, nu de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zijn scooter zou worden gebruikt bij een gewapende overval terwijl de afspraak voor wat betreft verdachtes handelen nadien - het op een afgesproken plaats weer overnemen van die scooter van de daders van de overval - ertoe strekte de daders van die overval gelegenheid te geven dat feit is begaan. Dat oordeel getuigt niet van een verkeerde rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

3.5. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.

4. Beoordeling van het eerste en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 15 februari 2005.