Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AR8904

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-02-2005
Datum publicatie
12-10-2020
Zaaknummer
01245/04
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AR8904
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 288
Wetboek van Strafvordering 415
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 februari 2005

Strafkamer

nr. 01245/04

LR/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 april 2004, nummer 23/002782-03, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1945, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep bevestigd een vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 17 april 2003, waarbij de verdachte ter zake van "verkrachting" is veroordeeld tot 31 dagen gevangenisstraf, alsmede tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof het ten onrechte, althans op ontoereikende gronden, het verzoek tot het oproepen van getuige [getuige] en het gelasten van een bevel tot haar medebrenging heeft afgewezen.

3.2. Uit de processtukken blijkt de volgende gang van zaken met betrekking tot de in het middel bedoelde getuige. De getuige is in hoger beroep niet verschenen, op de - eerste - rechtsgeldig aan haar betekende oproeping voor de terechtzitting van 18 maart 2004. Het proces-verbaal van die terechtzitting vermeldt, voorzover hier van belang:

"De raadsman deelt mede dat hij persisteert bij het horen van de getuige. De advocaat-generaal deelt mede dat hij een hernieuwde oproeping van de getuige noodzakelijk acht, eventueel met een bevel medebrenging, gelet op het feit dat de getuige ter terechtzitting van 5 februari (de Hoge Raad leest: januari) 2004 niet juist is opgeroepen, een adres van haar bekend is en hij het horen van deze getuige van belang acht.

De raadsman deelt mede dat hij persisteert bij het horen van de getuige en voorts dat hij zich aansluit bij het standpunt van de advocaat-generaal ten aanzien van het gelasten van een bevel medebrenging.

Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissingen van het hof mede:

- dat de hernieuwde oproeping van de getuige [getuige] wordt bevolen nu de getuige tot op heden slechts één keer behoorlijk is opgeroepen, aan welke oproep zij geen gehoor heeft gegeven;

- dat het hof geen termen aanwezig acht een bevel medebrenging te gelasten;

- dat het onderzoek wordt geschorst tot de terechtzitting van 8 april 2004 te 09:00 uur teneinde die getuige te horen of indien zij niet is verschenen de zaak verder te behandelen en af te doen."

3.3. Ter terechtzitting van 8 april 2004 is de getuige wederom niet verschenen. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt, voorzover hier van belang, het volgende in:

"De voorzitter constateert dat de getuige [getuige] niet ter terechtzitting is verschenen, hoewel zij behoorlijk is opgeroepen (...).

(...)

De raadsman deelt mede - zakelijk weergegeven -:

De verdediging persisteert bij het horen van de getuige. Het horen van deze getuige is van belang omdat de rechtbank de verklaring van de getuige voor het bewijs heeft gebezigd en de verdediging ernstige twijfels heeft omtrent het waarheidsgehalte van haar verklaringen. Hoewel het hof zich op de terechtzitting van 18 maart 2004 reeds heeft uitgelaten over de verdere voortgang van het onderzoek bij het niet verschijnen van de getuige, acht ik het geven van een bevel medebrenging opportuun. Ik verzoek het hof de zaak aan te houden, de hernieuwde oproeping van de getuige te gelasten, alsmede een bevel medebrenging uit te vaardigen.

De advocaat-generaal deelt mede - zakelijk weergegeven -:

Ik verzet me tegen het verzoek van de raadsman. De getuige is na haar aangifte bij de politie reeds bij de rechter-commissaris en tijdens de terechtzitting in eerste aanleg gehoord en de verdediging is in de gelegenheid geweest de getuige te ondervragen. Ik ben van mening dat een bevel medebrenging, gelet op het voorgaande, een te zwaar middel is.

Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek tot aanhouding van behandeling van de zaak en een hernieuwde oproeping van de getuige wordt afgewezen, nu onaannemelijk is dat de getuige - ook in geval een bevel medebrenging wordt gegeven - binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen, aangezien de getuige ter terechtzitting in hoger beroep reeds twee keer deugdelijk is opgeroepen en niet is verschenen. Het hof heeft bij deze beslissing laten meewegen dat de verdediging tot twee keer toe in de gelegenheid is geweest de getuige te ondervragen."

3.5. Het Hof heeft, gelet op het ingevolge art. 415 Sv in hoger beroep toepasselijke art. 288 Sv, de juiste maatstaf aangelegd bij zijn beslissing het verzoek tot het horen van de getuige af te wijzen.

3.6. Dit oordeel van het Hof is echter zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk, nu het niet inhoudt op grond waarvan het Hof het onaannemelijk heeft geacht dat de getuige die een bekende woonplaats in Nederland had en ten aanzien van wie niet eerder de medebrenging was gelast, bij het wel gelasten van haar medebrenging niet binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zou verschijnen terwijl het Hof ter terechtzitting van 18 maart 2004 de hernieuwde oproeping van de getuige heeft bevolen en toen niet meer heeft overwogen dan dat het geen termen aanwezig acht een bevel tot medebrenging te gelasten.

3.7. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 15 februari 2005.