Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AR7928

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-09-2005
Datum publicatie
30-09-2005
Zaaknummer
C04/060HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AR7928
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

30 september 2005 Eerste Kamer Nr. C04/060HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt, t e g e n [Verweerster], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instantie...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 527
NJ 2007, 154 met annotatie van J.B.M. Vranken
RvdW 2005, 106
NTBR 2006, 7 met annotatie van G.E. van Maanen
JWB 2005/321
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 september 2005

Eerste Kamer

Nr. C04/060HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

t e g e n

[Verweerster],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 4 maart 2002 verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - gedagvaard voor de rechtbank te Arnhem en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, ten titel als in de dagvaarding vermeld [verweerster] te veroordelen tot ontruiming van het pand aan de [a-straat 2] te [plaats] met al de hare en het hare en wel binnen één maand na betekening van het in deze te wijzen vonnis, zonodig met behulp van de sterke arm van justitie en politie.

[Verweerster] heeft de vordering bestreden en van haar kant in voorwaardelijke reconventie gevorderd, namelijk voor het geval de vordering in conventie mocht worden toegewezen, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] te veroordelen om binnen twee weken na de betekening van het in deze te wijzen vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verweerster] te voldoen het bedrag wegens waardevermeerdering van de percelen [a-straat 1 en 2] te [plaats], althans van de [a-straat 2], genoemd bedrag nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 6 april 2000, althans vanaf 2 mei 2000, althans vanaf 13 juni 2002.

[Eiser] heeft in voorwaardelijke reconventie de vordering bestreden

De rechtbank heeft bij vonnis van 12 maart 2003 in conventie [verweerster] veroordeeld om het pand aan de [a-straat 2] te [plaats] uiterlijk 1 januari 2004 te ontruimen, [eiser] gemachtigd om de ontruiming zelf, zonodig met behulp van de sterke arm van justitie en politie ten uitvoer te leggen, dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het in conventie meer of anders gevorderde en in (voorwaardelijke) reconventie de vordering afgewezen en zowel in conventie als in reconventie de proceskosten gecompenseerd.

Tegen dit vonnis heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.

Bij schriftelijk pleidooi heeft zij haar eis gewijzigd.

[Eiser] heeft zich tegen deze eiswijziging verzet.

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest van 4 november 2003 heeft het hof in conventie het vonnis waarvan beroep bekrachtigd, in reconventie voormeld vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [verweerster] alsnog toegewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen [verweerster] is verstek verleend.

[Eiser] heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verweerster] is een zuster van [betrokkene 1]. Deze is de moeder van [eiser].

(ii) [Verweerster] woont sinds 1978, na verkregen toestemming van de toenmalige eigenares, [betrokkene 1], in de woning gelegen aan de [a-straat 2] te [plaats], bekend als "[A]" (hierna ook: de woning). Gedurende die tijd heeft zij onder meer investeringen gedaan tot onderhoud en verbetering van de woning en tot behoud van de woonbestemming van het perceel. [Verweerster] betaalde geen huurpenningen.

(iii) In november 1997 heeft [betrokkene 1] het gebruiksrecht van de woning opgezegd per 1 januari 2000, maar die opzegging is door [verweerster] niet aanvaard; zij is de woning blijven bewonen.

(iv) [Betrokkene 1] heeft [verweerster] gedagvaard voor de rechtbank te Arnhem en heeft gevorderd haar te veroordelen de woning te ontruimen. [Eiser] heeft zich in die procedure gevoegd aan de zijde van [betrokkene 1]. Bij vonnis van 20 juli 2000 (gecorrigeerd op 23 juli 2002) is deze vordering tot ontruiming afgewezen. De rechtbank heeft daarbij de stelling van [verweerster] dat er sprake was van een huurovereenkomst en dat zij zich kon beroepen op huurbescherming weliswaar verworpen, maar heeft tevens geoordeeld dat tussen haar en [betrokkene 1] een levenslang recht van gebruik en bewoning is overeengekomen, en dat het [betrokkene 1] in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet vrij stond dat gebruiksrecht op te zeggen. Geen van partijen heeft een rechtsmiddel aangewend tegen dit vonnis.

(v) In april 2000, dus na de aanvang van voormelde procedure, heeft [betrokkene 1] de woning verkocht aan [eiser] tegen een koopsom van ƒ 275.000,--, die is omgezet in een lening gelijk aan de koopsom. De notariële levering heeft plaatsgevonden op 29 mei 2000.

3.2 In de onderhavige procedure heeft [eiser] - uit hoofde van zijn eigendomsrecht - in conventie gevorderd [verweerster] te veroordelen tot ontruiming van de woning. Deze vordering is door de rechtbank toegewezen en het hof heeft het vonnis van de rechtbank in zoverre bekrachtigd. In cassatie is de vordering in conventie niet meer aan de orde.

3.3.1 In reconventie heeft [verweerster] voorwaardelijk (namelijk: in geval van toewijzing van de conventionele vordering) een vordering ingesteld wegens ongerechtvaardigde verrijking. Deze zou bestaan in de investeringen die zij heeft gedaan ter verbetering van de woning en tot behoud van de op het perceel rustende bestemming. Deze voordelen zouden [eiser] ongerechtvaardigd in de schoot vallen indien de ontruimingsvordering zou worden toegewezen.

3.3.2 De rechtbank heeft de vordering in reconventie afgewezen. De rechtbank overwoog daartoe in rov. 16 dat [verweerster] weliswaar in de loop der jaren kosten aan de woning heeft gemaakt, doch tussen [eiser] en [betrokkene 1] een koopsom voor [A] is overeengekomen van ƒ 275.000,-- die is omgezet in een geldlening gelijk aan de koopsom. Door [verweerster] is niet gesteld, noch is daarvan anderszins gebleken, dat dit geen reële, aan de marktwaarde van het huisje gerelateerde, koopsom is geweest zodat ervan moet worden uitgegaan dat [eiser] aan zijn moeder een reële koopprijs voor [A] heeft betaald. Reeds op grond daarvan kan niet worden aangenomen dat sprake is geweest van een verrijking van [eiser], laat staan van een ongerechtvaardigde verrijking ten koste van [verweerster].

3.4 [Verweerster] heeft haar grieven tegen het vonnis van de rechtbank opgenomen in de appeldagvaarding.

Het hof heeft in rov. 2.2 overwogen dat [verweerster] bij memorie van grieven heeft geconcludeerd overeenkomstig de inhoud van de appeldagvaarding. Onderdeel 1.1 (onderdeel 1 bevat slechts een inleiding) bestrijdt deze vaststelling als onjuist of onbegrijpelijk omdat een schriftelijke memorie van grieven ontbreekt. Nu [eiser] zijn memorie van antwoord aanvangt met de woorden "Geïntimeerde zal ingaan op de bij inleidende dagvaarding aangevoerde grieven tegen het (...) vonnis van 12 maart 2003 (..)" en geen melding maakt van een afzonderlijke conclusie van eis in hoger beroep/memorie van grieven, is aannemelijk dat zo'n conclusie niet in schriftelijke vorm is genomen en dat volstaan is met ter rolle mondeling concluderen overeenkomstig de dagvaarding. De Hoge Raad ziet ervan af op dit punt op de voet van art. 83 RO inlichtingen van het hof te vragen, nu ook indien een schriftelijke conclusie ontbreekt, onderdeel 1.1 niet tot cassatie kan leiden. Zowel [eiser] als het hof zijn kennelijk ervan uitgegaan dat de grieven, opgenomen in de dagvaarding, hun kenbaar waren. [eiser] mist daarom een in rechte te respecteren belang bij zijn klacht dat een schriftelijke conclusie van eis in hoger beroep ontbreekt.

3.5.1 [Verweerster] heeft in de dagvaarding in hoger beroep wel aangezegd dat zij in hoger beroep komt "van het vonnis (...) gewezen tussen appellante als gedaagde in conventie/eiseres in voorwaardelijke reconventie en geïntimeerde als eiser in conventie/gedaagde in voorwaardelijk reconventie" en mede een grief gericht tegen rov. 16 van de rechtbank, maar het petitum van de appeldagvaarding strekt slechts ertoe dat het het hof "behage (...) te vernietigen het vonnis (...) op 23 maart 2003 gewezen en opnieuw rechtdoende [eiser] alsnog niet ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans die vorderingen af te wijzen met veroordeling van [eiser] in de proceskosten (...)", waarbij voor "23 maart" kennelijk moet worden gelezen "12 maart".

Ter rolle van 7 oktober 2003 hebben partijen schriftelijke pleitnotities overgelegd. Zij zijn daarin beiden bij wege van repliek/dupliek ook ingegaan op de inhoud van de (kennelijk tevoren toegezonden) pleitnotitie van de wederpartij.

In de pleitnotitie heeft [verweerster] haar eis gewijzigd door (kennelijk in aansluiting op het petitum van de appèldagvaarding waarin enkel wordt gerept van de vordering in conventie) te vorderen:

"in reconventie: voorwaardelijk, namelijk voor het geval de vordering in conventie mocht worden toegewezen [eiser] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest te veroordelen om binnen 2 weken na betekening van het in deze te wijzen arrest tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verweerster] te voldoen het bedrag waarmee [eiser] door aankoop van de [a-straat 2] te [plaats] ongerechtvaardigd is verrijkt, nader op te maken bij staat (...) en vermeerderd met de wettelijke rente (...)".

[Eiser] heeft in zijn pleitnotitie bezwaar gemaakt tegen deze wijziging van eis. Het hof heeft dit bezwaar terzijde gesteld en daartoe het volgende overwogen.

"4.6 De grieven 1 t/m 3 in de appèldagvaarding hebben betrekking op de ontruimingsvordering in conventie, grief 4 heeft betrekking op een beslissing van de rechtbank die leidde tot afwijzing van de vordering in reconventie. Aldus heeft [verweerster] het vonnis in conventie alsook in reconventie bestreden en onderwerp gemaakt van de appèlprocedure. Dat is ook vermeld in de aanzegging van het hoger beroep in de appèldagvaarding onder 1. Daar doet niet aan af dat [verweerster] heeft verzuimd in het petitum van de appèldagvaarding naast vernietiging van het vonnis en afwijzing van de vordering van [eiser] tevens toewijzing van haar eigen vordering in reconventie te vorderen. Zij kan dat verzuim herstellen op de wijze zoals zij heeft gedaan, namelijk bij wege van een wijziging van eis bij - schriftelijk - pleidooi. Er is in de onderhavige situatie geen sprake van het te laat formuleren van een aanvullende grief.

De daartegen gerichte bezwaren van [eiser] zijn ongegrond. Hij wist dat de dragende beslissing ter zake van de vordering in reconventie was aangevallen in grief 4 en dat deze vordering derhalve deel uitmaakt van het hoger beroep. De wijziging van eis is weliswaar in een laat stadium van de procedure geschied, maar de vordering inzake ongerechtvaardigde verrijking is gelijk aan die in eerste aanleg en ook overigens is het feitencomplex niet gewijzigd. Er is in verband hiermee geen vertraging van de procedure te verwachten, noch is aannemelijk dat [eiser] op enigerlei wijze in zijn verdediging wordt geschaad. Ook anderszins is er geen sprake van strijd met de goede procesorde, zodat deze bezwaren worden gepasseerd."

3.5.2 De hiertegen gerichte onderdelen 1.2-1.4 falen. 's Hofs oordeel dat de dagvaarding voldoende duidelijk maakte dat het hoger beroep van [verweerster] mede strekte tot vernietiging van het vonnis in reconventie en tot toewijzing van haar vordering in reconventie en dat de wijziging van eis in de pleitnotitie slechts een, om die reden ondanks het late tijdstip aanvaardbare, explicitering hiervan inhield, geeft in het licht van hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 15 november 1991, nr. 14358, NJ 1992, 724, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, noch onvoldoende gemotiveerd.

3.6.1 Anders dan de rechtbank heeft het hof de reconventionele vordering tot schadevergoeding ter zake van ongerechtvaardigde verrijking toegewezen. Hiertegen keren zich de onderdelen 2-2.3.5.

3.6.2 Bij de behandeling van de vierde grief van [verweerster] kwam het hof tot het oordeel dat de marktwaarde van de woning vrij aanzienlijk hoger was dan de door [eiser] verschuldigde koopsom van ƒ 275.000,-- (rov. 4.22).

Tussen partijen staat vast, aldus het hof, dat [verweerster] gedurende de tijd dat zij de woning bewoonde, verbouwingen en renovaties heeft verricht en ervoor heeft gezorgd dat het perceel een woonbestemming bleef behouden in plaats van de door de gemeente voorgestane recreatiebestemming. Tussen partijen staat ook vast dat deze verbouwingen en renovaties niet kunnen worden aangemerkt als tegenprestatie voor het gebruiksrecht. [Verweerster] heeft deze investeringen dus onverplicht, zonder rechtsgrond gedaan. (rov. 4.23)

Daar staat tegenover dat [eiser] bij toewijzing van zijn vordering een huis ter beschikking krijgt dat, zoals moet worden aangenomen, een hogere waarde vertegenwoordigt dan de door hem verschuldigde koopprijs. Tussen partijen is niet in geschil dat de woning in 1978, bij de aanvang van het gebruik door [verweerster], een zeer eenvoudige opstal betrof waaraan de meest noodzakelijke voorzieningen ontbraken. Aannemelijk is derhalve dat de huidige waarde van de woning ten minste voor een deel het gevolg is van de inspanningen en investeringen van [verweerster], niet alleen betreffende de verbouwingen, maar ook voor zover deze betrekking hebben op het verijdelen van de door de gemeente voorgenomen wijziging van de bestemming 'villaklasse' in 'recreatiedoeleinden'. Er is ook, aldus nog steeds het hof, een voldoende verband tussen de verarming van [verweerster] en de verrijking van [eiser]. (rov. 4.24)

Het hof achtte deze verrijking ongerechtvaardigd. Er bestaat, aldus het hof, geen rechtsverhouding tussen [verweerster] en [eiser] die de hier bedoelde vermogensverschuiving rechtvaardigt. Het was de, blijkens het vonnis van 20 juni 2000 gerechtvaardigde, bedoeling van [verweerster] dat zij nog gedurende lange tijd, tot haar overlijden, de woning zou bewonen en in dat kader heeft zij gezorgd voor verbouwing en verbetering van de woning. Dat voornemen wordt thans doorkruist door de ontruimingsvordering van [eiser]. Dat [verweerster] deze investeringen in de eerste plaats ten eigen bate heeft gedaan, doet er niet aan af dat het hiermee gepaard gaande geldelijk voordeel thans aan [eiser] ten goede komt. Dat geldt eens te meer voor de kosten die gepaard zijn gegaan met de bemoeienis met de bestemmingsplanprocedure. Indien de bestemming van het perceel zou zijn gewijzigd in recreatiebestemming, zou dat voor [verweerster] weinig tot geen gevolgen hebben gehad nu het bestaande gebruik ingevolge bestendige jurisprudentie van de bestuursrechter wordt beschermd door het overgangsrecht. Dat geldt echter niet - zonder meer - voor een opvolgend gebruiker. In zoverre heeft [verweerster] deze inspanningen niet ten eigen bate verricht. (rov. 4.25)

Hoewel in deze zaak geen sprake is van huur, zijn de omstandigheden nagenoeg identiek als in situaties waarop art. 7:216 lid 3 BW ziet (rov. 4.26). Dat [eiser] voornemens is de bestaande woning af te breken en ter plaatse een nieuwe woning te bouwen doet aan het een en ander niet af. Dit is immers een omstandigheid die te zijner beoordeling is en daarom voor eigen rekening moet blijven. (rov. 4.27)

3.6.3 Bij de beoordeling van de tegen deze overwegingen gerichte klachten moet het volgende worden vooropgesteld.

Het gaat hier om een geval waarin de waarde van een onroerende zaak (een woning) is vermeerderd als gevolg van investeringen door een persoon (de verarmde) die daarvoor geen vergoeding heeft gekregen. De zaak is vervolgens door de eigenaar daarvan verkocht en geleverd aan een derde (de koper) tegen een prijs die vrij aanzienlijk lager was dan de (door de zojuist genoemde investeringen verhoogde) marktwaarde van de zaak. In een dergelijke situatie geniet de koper van de zaak, als elke koper die een zaak verwerft voor een koopprijs die beneden de marktwaarde ligt, een voordeel. Dat voordeel vindt in beginsel rechtvaardiging in de koopovereenkomst. De omstandigheid dat een derde (de verarmde) in het verleden op eigen kosten de zaak heeft verbeterd en daardoor in waarde heeft doen toenemen, brengt in het algemeen niet mee dat een zodanig verband bestaat tussen de verrijking van de koper en de verarming van de verarmde dat de koper ongerechtvaardigd verrijkt is ten koste van de verarmde. Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval de verarmde niettemin wegens bijzondere omstandigheden, in afwijking van dit uitgangspunt, jegens de koper aanspraak kan doen gelden op enige vergoeding als in art. 6:212 BW bedoeld, moet onder meer het volgende in aanmerking worden genomen:

(a) Indien de rechtsverhouding tussen de verarmde en de verkoper meebrengt dat de verarmde de door hem gemaakte kosten zelf zou moeten dragen en de verarmde daarom géén vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking zou hebben jegens de verkoper, zal de verarmde ook jegens de koper geen aanspraken op de voet van art. 6:212 BW geldend kunnen maken.

(b) Indien de verarmde geen huurder was, verkeert hij niet in dezelfde situatie als een huurder, en is art. 7:216 BW niet van toepassing. Waar de huurder slechts indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven jegens de verhuurder aanspraak kan maken op een vergoeding op de voet van de artikelen 7:216 lid 3 en 6:212 BW (HR 25 juni 2004, nr. C03/080, RvdW 2004, 89), is er geen reden de verarmde niet-huurder een ruimere mogelijkheid te bieden om op de voet van art. 6:212 BW vergoeding te eisen, te minder om hem de mogelijkheid te bieden om op de voet van die bepaling vergoeding van de koper te eisen.

(c) Indien de verkoper en de koper in een familieverhouding tot elkaar staan en de verkoper een koopprijs bedongen heeft die beneden de marktwaarde ligt teneinde de koper te bevoordelen op een wijze zoals niet ongebruikelijk is bij handelingen tussen familieleden, worden die koopprijs en het door de koper genoten voordeel mede gerechtvaardigd door die bevoordelingsbedoeling. In zo'n geval is er in beginsel geen grond voor het oordeel dat de koper ongerechtvaardigd verrijkt is ten koste van de verarmde.

(d) Indien al wordt geoordeeld dat de koper ongerechtvaardigd is verrijkt ten opzichte van de verarmde, zal slechts aanspraak op schadevergoeding bestaan voorzover dit redelijk is (art. 6:212 lid 1 BW). Bij de beantwoording van de vraag wat redelijk is komt betekenis toe aan de mate waarin de koper door zijn verrijking daadwerkelijk is gebaat. Voorzover de koper door de investeringen van de verarmde weliswaar verrijkt maar niet daadwerkelijk gebaat is omdat hij de gekochte woning afbreekt en ter plaatse vervangt door een nieuwe woning, is het niet zonder meer redelijk dat hij de schade van de verarmde zou moeten vergoeden.

3.6.4 Uit het arrest blijkt dat het hof bij de beoordeling van de vordering van [verweerster] tot vergoeding van schade wegens ongerechtvaardigde verrijking niet is uitgegaan van de hiervoor uiteengezette uitgangspunten. In zoverre slagen de klachten van de onderdelen 2.2.1, 2.2.2, 2.3.1, 2.3.3 en 2.3.5. Dit brengt mee dat de oordelen van het hof dat de door het hof aangenomen verrijking van [eiser] ten koste van [verweerster] ongerechtvaardigd is en dat het voornemen van [eiser] om de bestaande woning af te breken en ter plaatse een nieuwe woning te bouwen niet terzake doet, geen stand houden en dat de overige klachten van onderdeel 2, alsmede onderdeel 3.1 geen behandeling meer behoeven.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 4 november 2003;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 452,96 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman, P.C. Kop en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 30 september 2005.