Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AR7774

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-04-2005
Datum publicatie
29-04-2005
Zaaknummer
40410
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AR7774
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2003:AO7091
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Wederrechtelijk verkregen voordeel. Genietingsmoment. Optie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2005/264 met annotatie van R.M. FREUDENTHAL
FED 2005/97 met annotatie van W.A.P. VAN ROIJ
Belastingadvies 2005/11.9
V-N 2005/23.12 met annotatie van Redactie
FutD 2005-0862
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 40.410

29 april 2005

EC

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 december 2003, nr. BK-01/02932, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 8.076.081, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en het belastbaar inkomen vastgesteld op ƒ 7.850.481. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal J.A.C.A. Overgaauw heeft op 22 november 2004 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende was van 1 maart 1992 tot 1 augustus 1994 algemeen en enig statutair directeur van de naamloze vennootschap A N.V. (hierna: A). Belanghebbende bezat geen aandelen in de vennootschap. A hield een pakket aandelen in F N.V. (hierna: F).

3.1.2. Op 6 oktober 1993 heeft A, vertegenwoordigd door belanghebbende, zonder de vereiste toestemming van de raad van commissarissen van A, aan C Inc (hierna: C), eveneens vertegenwoordigd door belanghebbende, het recht verleend het pakket aandelen F te kopen voor de prijs van BEF 1300 (= ƒ 70,85) per aandeel (hierna: de optie). De optie liep af op 31 mei 1994. De optieprijs lag ver beneden de waarde van de aandelen.

3.1.3. In ieder geval vanaf 1 januari 1994 was belanghebbende in economische zin indirect enig aandeelhouder van C. Eerder was A indirect enig aandeelhouder van C.

3.1.4. Op 7 maart 1994 en 19 april 1994 heeft C, gebruik makend van de optie, de aandelen F voor de optieprijs van A gekocht. A en C werden daarbij vertegenwoordigd door belanghebbende; ook hier zonder de vereiste toestemming van de raad van commissarissen van A. Korte tijd na deze aankopen heeft C de aandelen doorverkocht en daarbij een netto voordeel gerealiseerd van ƒ 8.025.510.

3.1.5. Belanghebbende heeft de verkoop van de aandelen F in de administratie van A verwerkt met facturen waarop hij een verkoopprijs per aandeel van BEF 5450 in plaats van BEF 1300 heeft vermeld.

3.1.6. In 1994 heeft C, via haar door belanghebbende beheerste (groot)moedervennootschap, $ 3.790.000 (= ƒ 7.049.400) op belanghebbendes privé-bankrekening in Miami (USA) doen bijschrijven. Belanghebbende heeft voorts vanaf de rekening van C in R (USA) ƒ 725.000 overgemaakt naar een jachtwerf voor de aankoop van een privé-jacht.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat C en niet belanghebbende het voordeel van ƒ 8.025.510 heeft gerealiseerd en dat C tot een bedrag van ƒ 7.774.400 aan belanghebbende uitdelingen heeft gedaan, die belanghebbende in 1994 als inkomsten uit vermogen heeft genoten. Het Hof heeft het verweer van belanghebbende dat hij het voordeel van de optieverlening eerst zelf (in 1993) heeft genoten en dat hij dit voordeel, zonder daarvoor een beloning te bedingen, aan C heeft toegespeeld, hetgeen als een informele kapitaalstorting moet worden beschouwd, met een beroep op de kostenarresten (ondermeer HR 26 juli 1986, BNB 1986/296) verworpen. Het middel richt zich met name tegen laatstvermeld oordeel.

3.3. De uitspraak van het Hof en de stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat het verlenen van de optie aan C slechts een onderdeel was van de constructie die belanghebbende heeft opgezet om uiteindelijk het voordeel op te strijken dat kon worden verkregen doordat C door toedoen van belanghebbende door A tegen een te lage prijs verkochte aandelen F weer tegen een hoger bedrag aan derden doorverkocht. Op grond van de vastgestelde feiten kan voorts slechts ervan worden uitgegaan dat de onttrekking van de meerwaarde van de aandelen aan het vermogen van A in ieder geval niet reeds in 1993 heeft plaatsgevonden, doch in 1994 uiterlijk op het moment van de voltooiing van de frauduleuze handeling.

De uitspraak van het Hof en de stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat het in 1994 door belanghebbende genoten voordeel tenminste gelijk was aan het door het Hof in aanmerking genomen bedrag van ƒ 7.774.400.

3.4. Uit het voorgaande volgt dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat belanghebbende in 1994 tot een bedrag van ƒ 7.774.400 inkomsten heeft genoten, wat er zij van de door het Hof daartoe aangevoerde gronden. Het middel faalt mitsdien.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2005.