Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AR7771

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-12-2005
Datum publicatie
23-12-2005
Zaaknummer
40220
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AR7771
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2003:AM0236
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Tariefsdifferentiatie eenmalig rioolaansluitrecht. Strijd met gelijkheidsbeginsel? Willekeurige en onredelijke heffing?

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 219
Gemeentewet 229
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2006/97
BNB 2006/102 met annotatie van W.J.N.M. SNOIJINK
V-N 2006/6.30 met annotatie van Redactie
FutD 2005-2492 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 40.220

23 december 2005

AB

gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Staphorst tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 29 september 2003, nr. 02/00466, betreffende na te melden van X te Z geheven eenmalig rioolaansluitrecht.

1. Heffing, bezwaar en geding voor het Hof

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Staphorst (hierna: het college) heeft per brief aan belanghebbende meegedeeld dat de door hem te betalen eenmalige aansluitbijdrage (rioolaansluitrecht) is bepaald op ƒ 6500, en dat hij tegen dit besluit bezwaar kan maken bij het sectorhoofd middelen van de gemeente Staphorst (hierna: het sectorhoofd). Het besluit is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het sectorhoofd gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van het sectorhoofd vernietigd en het geheven bedrag verminderd tot ƒ 2650 (€ 1202,52). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Het college heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 17 november 2004 geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het Hof, de uitspraak van het sectorhoofd en de kennisgeving.

Het college heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende is eigenaar van een woonboerderij gelegen in de gemeente Z.

3.1.2. Op 22 november 2000 heeft belanghebbende de gemeente Staphorst vergunning gevraagd tot het splitsen van die onroerende zaak en het verbouwen van het stalgedeelte tot een zelfstandig te gebruiken woonruimte.

3.1.3. Naar aanleiding van de vergunningaanvraag heeft de gemeente Staphorst, nadat de agrarische bestemming van het perceel was omgezet in de bestemming woondoeleinden, aan belanghebbende medewerking verleend bij het realiseren van zijn plannen. Deze medewerking had onder meer betrekking op het realiseren van een extra aansluiting op de riolering.

3.1.4. Krachtens de Verordening eenmalig rioolaansluitrecht 2000 van de gemeente Staphorst (hierna: de Verordening) bedraagt het eenmalig aansluitrecht voor aan te sluiten bestaande percelen ƒ 2650, en voor nieuw te bouwen woningen ƒ 6370. In 2001 zijn deze bedragen verhoogd tot ƒ 2700 respectievelijk

ƒ 6500.

3.1.5. De gemeenteraad heeft dit tariefsonderscheid gerechtvaardigd geacht op grond van de overwegingen dat bestaande percelen reeds over eigen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater beschikken in de vorm van een beerput of installatie voor de individuele behandeling van afvalwater, dat de eigenaren van die percelen niet om een aansluiting op de riolering vragen en dat zij als gevolg van de aansluiting veelal kosten moeten maken om de bestaande eigen voorzieningen af te breken of te saneren. De eigenaren van nieuw te bouwen woningen beschikken daarentegen niet over eigen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater, zodat zij ook geen kosten behoeven te maken om die voorzieningen af te breken of te saneren. Bovendien ligt het initiatief voor de aansluitingen in dit geval niet bij de gemeente, maar bij de eigenaren, aldus nog steeds de overwegingen van de gemeenteraad.

3.1.6. Van belanghebbende is het hoge tarief geheven.

3.2. Voor het Hof was onder meer in geschil of de in het voormalige stalgedeelte van de onderhavige woonboerderij gerealiseerde zelfstandige woonruimte voor de toepassing van het tarief moet worden aangemerkt als een nieuw te bouwen woning. Het Hof heeft die vraag - in cassatie onbestreden - bevestigend beantwoord.

3.3. Vervolgens heeft het Hof zich de vraag gesteld of het in de Verordening neergelegde tariefsonderscheid verbindend is.

3.4. In dat verband heeft het Hof met juistheid vooropgesteld dat gemeenten op grond van artikel 219, lid 2, van de Gemeentewet en de daarop door de wetgever gegeven toelichting, behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en de in de wet gegeven nadere regelen, zelf invulling kunnen geven aan de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat hun vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijk beleid en de praktijk van de belastingheffing. Volgens het Hof gelden daarbij als randvoorwaarden dat de gemaakte keuze niet in strijd mag komen met algemene rechtsbeginselen - in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel - en dat de heffing niet mag leiden tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing die de wetgever bij het geven van de bevoegdheid tot het instellen van de desbetreffende heffing niet voor ogen kan hebben gehad.

3.5. Toetsend aan de eerste voorwaarde, het gelijkheidsbeginsel, heeft het Hof (in 4.7) bestaande percelen en nieuw te bouwen woningen in het kader van het onderhavige rioolaansluitrecht in juridische zin als gelijke gevallen aangemerkt, en (in 4.8) geoordeeld dat de overwegingen die de gemeenteraad tot een ongelijke behandeling daarvan (het tariefsonderscheid) hebben gebracht (hiervoor in 3.1.5 vermeld) daarvoor geen objectieve en redelijke rechtvaardiging vormen, omdat de gemeenteraad in die overwegingen persoonlijke omstandigheden van de eigenaren van de aan te sluiten percelen heeft betrokken, waarmee gegeven het karakter van het onderhavige rioolaansluitrecht geen rekening kan worden gehouden. Tegen deze oordelen keert zich het eerste middel.

3.6. Dat middel slaagt. Voorzover bestaande percelen en nieuw te bouwen woningen al kunnen worden aangemerkt als gelijke gevallen, ondanks de door de gemeenteraad gereleveerde verschillen, dan vormen die verschillen toch in elk geval een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het tariefsonderscheid. Niet valt in te zien dat geen rekening zou mogen worden gehouden met de aanwezigheid op bestaande percelen van een (afgezien van milieuwetgeving) adequate voorziening voor de afvoer van afvalwater, en met de kostenveroorzakende noodzaak tot verwijdering/sanering daarvan als sequeel van de rioolaansluiting, zelfs niet als dat "persoonlijke omstandigheden van de eigenaren" van die percelen zouden zijn.

3.7. Toetsend aan de tweede voorwaarde, het verbod van willekeurige en onredelijke belastingheffing, heeft het Hof (in 4.9) vooropgesteld dat de onderhavige tariefstelling erop neerkomt dat in de gevallen waarin aan de rioolaansluiting hoge kosten zijn verbonden een lage bijdrage wordt gevraagd, en omgekeerd. Deze vooropstelling bouwt klaarblijkelijk voort op 's Hofs eerdere vaststelling (in 4.6) dat de "bestaande percelen" voornamelijk zijn gelegen in het buitengebied, waar nog geen rioolleidingen aanwezig zijn, zodat met het tot stand brengen van aansluitingen voor die bestaande percelen in het algemeen juist (veel) hogere kosten gemoeid zijn dan in het geval van een nieuw te bouwen woning als die van belanghebbende. Aldus is volgens het Hof een tariefstelling tot stand gebracht die haaks staat op de gemeentelijke kosten, en dat maakt de tariefstelling naar 's Hofs oordeel tot een willekeurige en onredelijke, die de wetgever met het geven van de bevoegdheid tot de onderhavige rechtenheffing niet voor ogen kan hebben gehad, niettegenstaande de "gemeentelijke vrijheid" die het Hof eerder heeft gememoreerd (zie hiervoor 3.4). Tegen deze oordelen keert zich het tweede middel.

3.8. Ook dat middel slaagt. In de overwegingen van de gemeenteraad (hiervoor in 3.1.5 vermeld) ligt besloten dat bestaande percelen in die zin minder profijt hebben van de rioolaansluiting dan nieuw te bouwen woningen, dat bestaande percelen reeds beschikken over een voorziening voor de afvoer van afvalwater, zodat de eigenaren komen te staan voor kosten van afbraak/sanering daarvan. Door dat aspect in de overwegingen te betrekken, en op basis van afweging daarvan tegen dat van de kosten te komen tot het gekozen tariefsonderscheid, is de gemeenteraad niet getreden buiten de grenzen van de vrijheid die artikel 219, lid 2, van de Gemeentewet hem biedt. Evenmin komt de Verordening daardoor in strijd met enig algemeen rechtsbeginsel.

3.9. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat aan belanghebbende terecht het hoge tarief in rekening is gebracht. Nu het college in cassatie niet is opgekomen tegen 's Hofs oordeel dat het in het jaar 2000 geldende tarief van toepassing is, kan de Hoge Raad de zaak afdoen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, alsmede de uitspraak van het sectorhoofd, en

vermindert het geheven bedrag tot ƒ 6370 (€ 2890,58).

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2005.