Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AR7435

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-04-2005
Datum publicatie
08-04-2005
Zaaknummer
C03/311HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AR7435
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

8 april 2005 Eerste Kamer Nr. C03/311HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], België, EISER tot cassatie, advocaat: mr. E. van Staden ten Brink, t e g e n 1. [Verweerder 1], thans zonder bekende woon- of verblijfplaats in of buiten Nederland, 2. [Verweerder 2], wonende te [woonplaats], België, VERWEERDERS in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 213
NJ 2005, 371
JWB 2005/144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 april 2005

Eerste Kamer

Nr. C03/311HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats], België,

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink,

t e g e n

1. [Verweerder 1],

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats in of buiten Nederland,

2. [Verweerder 2],

wonende te [woonplaats], België,

VERWEERDERS in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 6 mei 1998 verweerders in cassatie - verder te noemen: de broers - gedagvaard voor de rechtbank te Roermond en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

(1) (primair en subsidiair) de broers te veroordelen terzake als beschreven in de dagvaarding - voor zoveel nodig met vernietiging van de op 6/10 mei 1988 getekende koopovereenkomst van aandelen althans van de prijsvaststelling d.d. 8 april 1989 - aan [eiser] tegen kwijting te betalen de schade die hij heeft geleden, deze schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot die der algehele voldoening;

(2) (meer subsidiair) voor recht te verklaren dat de broers [eiser] te goeder trouw niet kunnen houden aan de prijsvaststelling d.d. 8 april 1989 van de in de dagvaarding genoemde certificaten van aandelen van [betrokkene 1 en 2] en te bepalen dat (en op welke wijze) de prijs van die certificaten van aandelen opnieuw zal moeten worden vastgesteld.

De broers hebben de vorderingen bestreden.

De rechtbank heeft bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 17 juni 1999 de broers veroordeeld om aan [eiser] tegen kwijting te betalen de schade, die [eiser] heeft geleden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 mei 1998 tot de dag der algehele voldoening en de broers in de proceskosten aan de zijde van [eiser] veroordeeld.

Tegen dit vonnis hebben de broers hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij tussenarrest van 21 mei 2001 heeft het hof partijen tot bewijslevering toegelaten. Na twee gehouden getuigenverhoren heeft het hof bij eindarrest van 27 mei 2003 het vonnis waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [eiser] alsnog afgewezen en de proceskosten in beide instanties aldus gecompenseerd, dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.

Beide arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen beide arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen broers is verstek verleend.

[eiser] heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser], zijn broers [verweerders] en twee zusters [betrokkene 3 en 4], waren deelgenoten in een ongedeelde boedel waarin zich certificaten van aandelen alsmede preferente aandelen van B.V. [A] bevonden. [eiser] heeft op 6/10 mei 1988 zijn aandeel verkocht aan [betrokkene 3 en 4], alsmede aan de broers. Daarbij werd bepaald dat de koopprijs bindend zou worden vastgesteld door twee registeraccountants als deskundigen.

(ii) Op 20 februari 1989 heeft N.V. De Vlier een koopintentieverklaring afgegeven voor de aandelen van [A] voor een bedrag van ƒ 46 miljoen. De broers waren hiervan op de hoogte.

(iii) Op 8 april 1989 hebben de accountants [betrokkene 1 en 2] de waarde per 1 juli 1988 van [eiser]s aandeel van die (door [eiser] over te dragen) certificaten bepaald op ƒ 4,14 miljoen. Deze waarde correspondeert met een totale waarde van (de certificaten van aandelen in) [A] van ƒ 18,4 miljoen. De accountants waren niet op de hoogte van de onder (ii) bedoelde koopintentie-verklaring.

(iv) In de maand november 1989 is het aandeel van [eiser] in de onverdeeldheid voor de vastgestelde prijs overgedragen aan zijn broers.

(v) Op 30 november 1989 hebben die broers alle certificaten en aandelen in [A] overgedragen aan Sambucus Holding B.V. voor een prijs van ƒ 34,47 miljoen (afgerond). Dezelfde persoon was zowel directeur van Sambucus Holding B.V. als directeur van N.V. De Vlier.

3.2 In de onderhavige procedure vordert [eiser], voorzover in cassatie van belang, vergoeding van de schade die hij heeft geleden doordat de broers de bindend adviseurs niet op de hoogte hebben gesteld van de hiervóór in 3.1 onder (ii) bedoelde koopintentie-verklaring. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen; het hof heeft haar afgewezen.

3.3 Het hof heeft geoordeeld dat de broers jegens [eiser] tekort zijn geschoten in de nakoming van de in 3.1 onder (i) bedoelde overeenkomst doordat zij belangrijke gegevens waarover zij beschikten voor de deskundigen hebben verzwegen (rov. 10 van het eindarrest), en dat dit ook als onrechtmatig moet worden beoordeeld (rov. 12 van het eindarrest). Deze oordelen van het hof zijn in cassatie niet bestreden.

3.4 De in cassatie nog aan de orde zijnde primaire vordering van [eiser] strekt tot schadevergoeding, op te maken bij staat. Niet juist is dan ook het oordeel in rov. 30 van het tussenarrest, dat de primaire vordering slechts voor toewijzing vatbaar zou kunnen zijn indien aannemelijk is dat enige schade is geleden. Voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat is voldoende dat de mogelijkheid dat schade is of zal worden geleden, aannemelijk is. Het hof heeft in zoverre op een onjuiste grond de beoordeling van de vraag of aannemelijk is dat het gewraakte handelen van de broers tot schade heeft geleid, ter hand genomen.

Evenwel stond het het hof vrij om, ook al strekte de vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat, over de vraag of aannemelijk is dat de wanprestatie/onrechtmatige daad van de broers tot schade heeft geleid, al in deze procedure een beslissing te geven, indien het zich daartoe in staat achtte. Anders dan in onderdeel 2.3 wordt betoogd, trad het hof daarmee, gezien de grieven 8 en 9 (in de daaraan door het hof in rov. 3 van het tussenarrest gegeven nummering), ook niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep. Het feit dat het hof deze vraag is gaan onderzoeken op een onjuiste grond, kan dan ook niet tot vernietiging van de uitspraken van het hof leiden. De onderdelen 2.1 en 2.2, die te dezer zake klachten bevatten, behoeven derhalve geen behandeling, omdat zij bij gebrek aan belang niet tot cassatie kunnen leiden.

3.5 De vordering van [eiser] strekt tot vergoeding van schade die hij als verkoper geleden heeft doordat de broers wezenlijke informatie verzwegen hebben voor de accountants die als bindend adviseurs de koopprijs van de door [eiser] aan de broers verkochte aandelen hebben vastgesteld. Die schade bestaat uit het verschil tussen de door de accountants vastgestelde koopprijs en de koopprijs die de accountants zouden hebben vastgesteld indien zij kennis zouden hebben gedragen van de koopintentieverklaring.

In een geval als het onderhavige zal de rechter, ter vaststelling van dit laatste, hypothetische gegeven, aan de hand van alle beschikbare gegevens zo goed mogelijk een schatting moeten maken van het belang dat de bindend adviseurs aan de koopintentieverklaring zouden hebben gehecht, en aan de hand daarvan moeten beoordelen of aannemelijk is dat de deskundigen tot een hogere prijsvaststelling zouden zijn gekomen dan zij in feite hebben gedaan. Indien hij deze vraag bevestigend beantwoordt, dient de rechter de omvang van de schade te begroten op de voet van art. 6:97 BW.

3.6 In het tussenarrest heeft het hof vastgesteld (rov. 26), dat het alleszins in de lijn der normale verwachtingen ligt dat kennis van de koopintentie-verklaring een niet te verwaarlozen invloed op de prijsvaststelling zou hebben gehad. Er waren echter naar de vaststelling van het hof ook omstandigheden die meebrachten dat niet bij voorbaat gezegd kon worden dat de stelling dat wetenschap bij de accountants van het bestaan van de koopintentieverklaring tot een hogere waardering zou hebben geleid, aannemelijker is dan de stelling van het tegendeel (rov. 32 van het tussenarrest). Derhalve diende [eiser] naar het oordeel van het hof feiten en omstandigheden te bewijzen welke kunnen leiden tot de conclusie dat de accountants, hadden zij van het bestaan van de koopintentieverklaring geweten, tot een hogere waardering waren gekomen.

In het eindarrest komt het hof tot het oordeel dat [eiser] niet in het opgedragen bewijs is geslaagd. Het hof baseert dit oordeel met name op de omstandigheid dat de uiteindelijke met Sambucus overeengekomen koopprijs, die weliswaar aanmerkelijk hoger was dan de prijsvaststelling van de deskundigen, veel lager was dan de in de koopintentieverklaring genoemde prijs. Dit maakt, aldus het hof, dat met onvoldoende zekerheid gesteld kan worden dat de deskundigen, als zij wèl kennis hadden gedragen van die koopintentieverklaring en die op haar merites hadden kunnen toetsen, tot het oordeel waren gekomen dat zo waarschijnlijk was dat die koopintentie zou worden geëffectueerd, dat daarvan een wezenlijke invloed op de prijsvaststelling zou zijn uitgegaan (rov. 11).

3.7 Onderdeel 1.4 klaagt terecht dat het hof de aan de orde zijnde vraag (zie hiervóór, 3.5) op een te smalle basis heeft beoordeeld door beslissend te achten of de deskundigen tot het oordeel zouden zijn gekomen dat de koopintentie waarschijnlijk conform de koopintentie-verklaring zou worden geëffectueerd. Zonder nadere, niet gegeven, motivering is niet duidelijk waarom de ontkennende beantwoording van deze vraag meebrengt dat het te hunner kennis komen van de koopintentieverklaring de deskundigen niet aanleiding zou hebben gegeven om de hun tot dan toe ter beschikking staande gegevens nader te onderzoeken en dat de resultaten daarvan hen niet geleid zouden hebben tot een hogere waardering van de aandelen. Dit laatste is zonder nadere motivering te minder duidelijk, nu de prijs waartegen Sambucus de aandelen heeft gekocht weliswaar veel lager is dan de in de koopintentieverklaring voorziene prijs maar nog altijd veel hoger dan de prijs waartoe de deskundigen zijn gekomen. Het hof heeft dan ook zijn beslissing onvoldoende gemotiveerd door aan deze aspecten geen aandacht te besteden, zulks niettegenstaande hetgeen door [eiser] te dier zake is aangevoerd. De onderdelen 1.4 en 1.5, die hierop gerichte klachten bevatten, slagen derhalve. De overige klachten van onderdeel 1 behoeven geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de arresten van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 21 mei 2001 en 27 mei 2003;

verwijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof te Arnhem;

veroordeelt de broers in de kosten van de procedure in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 316,34 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 8 april 2005.