Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AR7262

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-04-2005
Datum publicatie
19-04-2005
Zaaknummer
00814/04
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AR7262
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2003:AM2627
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Belediging kroonprins en zijn echtgenote en beschadiging/onbruikbaarmaking kledingstukken omstanders door zakje met verf naar gouden koets te gooien. 1. Op de in art. 111 en 112 Sr strafbaar gestelde misdrijven zijn van toepassing de in Titel XVI van Boek II Sr onderscheiden wijzen waarop de aldaar strafbaar gestelde vormen van belediging kunnen worden aangedaan. De extra bescherming tegen belediging van de in art. 111 en 112 Sr bedoelde personen wordt tot uitdrukking gebracht door het vervallen van het klachtvereiste, de hogere strafbedreiging en doordat de in Titel XVI van Boek II Sr omschreven strafuitsluitingsgronden op de onderhavige delicten niet van toepassing zijn. Voor het overige zijn de in art. 266 Sr gemaakte onderscheidingen hier van toepassing. 2. Het handelen van verdachte valt niet onder de bescherming van art. 10 EVRM. Een gedraging, ook al is die gestoeld op een bepaalde overtuiging, kan immers niet worden aangemerkt als een door genoemde verdragsbepaling te beschermen meningsuiting, indien niet kenbaar is dat de gedraging moet worden begrepen als een deelname aan enig debat over het onderwerp waarop die overtuiging ziet. 3. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de beschadiging en of onbruikbaarmaking van de kleding het resultaat is geweest van het gooien van de verfbom door verdachte. Voorzover het middel berust op de opvatting dat in een geval als het onderhavige de bewezenverklaring de causale keten van gebeurtenissen tussen het handelen van verdachte en het uiteindelijke gevolg moet vermelden, stelt het middel een eis die het recht niet kent.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 111
Wetboek van Strafrecht 112
Wetboek van Strafrecht 266
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 241
NJ 2005, 566 met annotatie van Y. Buruma
NBSTRAF 2005/235
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 april 2005

Strafkamer

nr. 00814/04

PB/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 september 2003, nummer 23/000485-03, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 30 mei 2002 - de verdachte ter zake van 1. "opzettelijke belediging van de vermoedelijke opvolger van de Koning en opzettelijke belediging van de echtgenoot van de vermoedelijke opvolger van de Koning" en 2. "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort beschadigen en/of onbruikbaar maken (meermalen gepleegd)" veroordeeld tot een geldboete van € 250,-, subsidiair vijf dagen hechtenis.

1.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd primair tot vernietiging van de bestreden uitspraak, voorzover het het onder 2 bewezenverklaarde feit en de strafoplegging betreft, met verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof ter verdere berechting in zoverre en verwerping van het beroep voor het overige, subsidiair tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel bevat onder meer de klacht dat het Hof heeft verzuimd de inleidende dagvaarding nietig te verklaren wegens innerlijke tegenstrijdigheid.

3.2.1. Aan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd, zoals deze tenlastelegging is gewijzigd, dat:

"hij op of omstreeks 2 februari 2002 te Amsterdam opzettelijk in het openbaar beledigend de vermoedelijke opvolger van de Koningin, te weten Z.K.H. Willem-Alexander Prins van Oranje en/of de echtgenote van de vermoedelijke opvolger van de

Koningin, te weten H.K.H. Maxima Zorreguieta Prinses van Oranje, tijdens de rijtoer met de gouden koets ter gelegenheid van hun huwelijk, een zakje met (daarin) verf, althans een witte substantie en/of een (verf)bom, in elk geval, een voorwerp (met inhoud) naar en/of op, in elk geval in de richting van die gouden koets en/of Z.K.H. Willem Alexander Prins van Oranje en/of zijn echtgenote H.K.H. Maxima Zorreguieta Prinses van Oranje heeft gegooid en/of gesmeten en/of geworpen."

3.2.2. Daarvan is door het Hof bewezen verklaard dat:

"hij op 2 februari 2002 te Amsterdam opzettelijk in het openbaar beledigend de vermoedelijke opvolger van de Koningin, te weten Z.K.H. Willem-Alexander Prins van Oranje en/of de echtgenote van de vermoedelijke opvolger van de Koningin, te weten H.K.H. Maxima Zorreguieta Prinses van Oranje, tijdens de rijtoer met de gouden koets ter gelegenheid van hun huwelijk, een zakje met daarin verf naar de gouden koets en Z.K.H. Willem Alexander Prins van Oranje en zijn echtgenote H.K.H. Maxima Zorreguieta Prinses van Oranje heeft gegooid."

3.3. De klacht berust, blijkens de daarop gegeven toelichting, op de opvatting dat op de in de art. 111 en 112 Sr strafbaar gestelde misdrijven evenzeer de in Titel XVI van Boek II van het Wetboek van Strafrecht onderscheiden wijzen waarop de aldaar strafbaar gestelde vormen van belediging kunnen worden aangedaan, van toepassing zijn. Uit die opvatting vloeit, aldus het middel, voort dat de onderhavige tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig is, omdat die tenlastelegging de verdenking behelst dat de verdachte, die door middel van een feitelijkheid de belediging heeft aangedaan, zulks in het openbaar heeft gedaan, terwijl art. 266 Sr belediging in het openbaar slechts strafbaar stelt ingeval die mondeling of bij geschrift of afbeelding wordt aangedaan en de strafbare belediging door middel van een feitelijkheid uitsluitend in tegenwoordigheid van het slachtoffer kan geschieden.

3.4.1. Art. 112 Sr luidt als volgt:

"Opzettelijke belediging van de echtgenoot van de Koning, van de vermoedelijke opvolger van de Koning, van diens echtgenoot, of van de Regent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie."

3.4.2. De art. 111 en 112 Sr zijn opgenomen in de Tweede Titel van het Tweede Boek van dat Wetboek, welke titel als opschrift draagt "Misdrijven tegen de koninklijke waardigheid". De Memorie van Toelichting houdt met betrekking tot de desbetreffende strafbare feiten - voorzover hier van belang - het volgende in:

"Het begrip beleediging moet worden verklaard uit titel XVI. Evenals in het opschrift van dien titel is beleediging hier een nomen generis, waaronder smaad, smaadschrift, laster, eenvoudige beleediging en lasterlijke aanklagt begrepen zijn. Om alzoo wegens deze beleediging strafbaar te zijn moet op zijn minst aan de vereischten van art. 285 [266] voldaan wezen. Met het oog op de personen tegen wie het misdrijf gepleegd wordt, draagt elke beleediging hier een zoo ernstig karakter dat de onderscheidingen van titel XVI buiten aanmerking blijven en het maximum der straf dat tegen laster behoort te overtreffen. Aan den regter is eene groote ruimte gelaten om bij de toepassing der straf op den aard van de beleediging behoorlijk te kunnen acht slaan. (...)"

(H.J. Smidt II, 1881, p 41-42)

3.4.3. Art. 266 Sr luidt - voorzover hier van belang - als volgt:

"1. Elke opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid (...) door feitelijkheden, (...) aangedaan, wordt, als eenvoudige belediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. (...)"

3.5. Aangenomen moet worden dat de in de art. 111 en 112 Sr bedoelde personen in meerdere mate tegen belediging beschermd worden dan anderen en dat die extra bescherming tot uitdrukking wordt gebracht door het laten vervallen van het klachtvereiste, door de hogere strafbedreiging die op de feiten is gesteld en doordat de in Titel XVI van Boek II van het Wetboek van Strafrecht omschreven strafuitsluitingsgronden niet op de onderhavige delicten van toepassing te zijn. Voor het overige zijn de in art. 266 Sr gemaakte onderscheidingen hier van toepassing.

3.6. De hiervoor onder 3.3 weergegeven opvatting is dus juist. De in het middel verwoorde klacht faalt evenwel, in aanmerking genomen dat de tenlastelegging zowel vermeldt dat het feit in het openbaar is begaan als tijdens de rijtoer met de gouden koets ter gelegenheid van het huwelijk van Z.K.H. Prins Willem-Alexander en diens echtgenote H.K.H. Prinses Maxima, waarin besloten ligt dat het feit in hun tegenwoordigheid is begaan, terwijl bovendien uit het verhandelde ter terechtzitting niet blijkt dat de tenlastelegging door de verdachte onbegrijpelijk werd geacht. Het middel is dus in zoverre tevergeefs voorgesteld.

3.7. Ook overigens is het middel tevergeefs voorgesteld. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel komt op tegen de verwerping door het Hof van het verweer dat de onderhavige vervolging op grond van art. 112 Sr een ontoelaatbare inbreuk maakt op het de verdachte toekomende recht van vrijheid van meningsuiting zoals bedoeld in art. 10 EVRM.

4.2. De bestreden uitspraak houdt met betrekking tot het gevoerde verweer onder meer in:

"Op grond van artikel 10 lid 2 EVRM is een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting toegestaan, indien bij wet voorzien en noodzakelijk in een democratische samenleving. De onderhavige strafvervolging van verdachte is gegrond op artikel 112 Wetboek van Strafrecht en derhalve bij wet voorzien. Uit artikel 10 lid 2 EVRM volgt dat onder andere beperkingen die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de bescherming van de goede naam van anderen zijn toegestaan. Dat in casu de handelwijze van verdachte de eer en goede naam van de vermoedelijke troonopvolger en diens echtgenote heeft aangetast, is hiervoor reeds overwogen. Hieruit volgt dat artikel 10 lid 2 EVRM niet is geschonden door verdachte te vervolgen op grond van artikel 112 Wetboek van Strafrecht. Het verweer wordt derhalve verworpen."

4.3. De in het verweer betrokken stelling dat het handelen van de verdachte onder de hiervoor geschetste omstandigheden moet worden aangemerkt als een meningsuiting die onder de bescherming van art. 10 EVRM valt en waarop slechts op de in het tweede lid van die bepaling genoemde gronden een inbreuk mag worden gemaakt, is onjuist. Een gedraging, ook al is die gestoeld op een bepaalde overtuiging, kan immers niet worden aangemerkt als een door genoemde verdragsbepaling te beschermen meningsuiting, indien niet kenbaar is dat de gedraging moet worden begrepen als een deelname aan enig debat over het onderwerp waarop die overtuiging ziet. Het gooien van een verfbom kan niet worden beschouwd als een dergelijke deelname aan het debat.

4.4. Het vorenoverwogene in aanmerking genomen heeft het Hof het verweer terecht verworpen, wat er zij van de daartoe gebezigde overwegingen. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.

5. Beoordeling van het derde middel

5.1. Het middel behelst in de eerste plaats de klacht dat de bewezenverklaring van feit 2 onbegrijpelijk is omdat deze niet duidelijk maakt hoe de beschadiging en/of onbruikbaarmaking van de kleding van de daarin genoemde personen tot stand is gekomen.

5.2. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezen verklaard dat:

"hij op 2 februari 2002 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk kledingstukken toebehorende aan [betrokkene 1] (brigadier beveiliger in dienst bij de Dienst Koninklijke en Diplomatieke beveiliging van het Korps Landelijke Politie Diensten) en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] e/v [betrokkene 4], heeft beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt door met een zakje met verf te gooien naar de gouden koets en Z.K.H. Willem-Alexander Prins van Oranje en zijn echtgenote H.K.H. Maxima Zorreguieta Prinses van Oranje en in de richting van [betrokkene 1] die in de nabijheid van voornoemde koets verbleef en daarbij de gouden koets heeft geraakt met dat zakje gevuld met verf."

5.3. De gebezigde bewijsmiddelen houden onder meer - voorzover hier van belang - in, dat de verdachte een zakje met verf heeft gegooid in de richting van de gouden koets, dat dat zakje op het dak van de gouden koets belandde en aldaar uit elkaar spatte en dat de kleding van de in de bewezenverklaring genoemde personen als gevolg van het uit elkaar spatten van de 'verfbom' werd getroffen door verfspetters.

5.4. Voorzover het middel berust op de stelling dat in een geval als het onderhavige de bewezenverklaring de causale keten van gebeurtenissen tussen het handelen van de verdachte en het - uiteindelijke - gevolg daarvan moet vermelden, stelt het middel een eis die het recht niet kent. Mede in aanmerking genomen dat uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de beschadiging en/of onbruikbaarmaking van de kleding het resultaat is geweest van het gooien van de verfbom door de verdachte, is de klacht derhalve tevergeefs voorgesteld.

5.5. Voor het overige kan het middel evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

7. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, J.W. Ilsink, J. de Hullu en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 19 april 2005.