Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AR7256

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-04-2005
Datum publicatie
19-04-2005
Zaaknummer
00551/04
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AR7256
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2003:AM2717
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Belediging kroonprins en zijn echtgenote door in vloeistof gedrenkte tampon naar gouden koets te gooien. Op de in art. 111 en 112 Sr strafbaar gestelde misdrijven zijn van toepassing de in Titel XVI van Boek II Sr onderscheiden wijzen waarop de aldaar strafbaar gestelde vormen van belediging kunnen worden aangedaan. De extra bescherming tegen belediging van de in art. 111 en 112 Sr bedoelde personen wordt tot uitdrukking gebracht door het vervallen van het klachtvereiste, de hogere strafbedreiging en doordat de in Titel XVI van Boek II Sr omschreven strafuitsluitingsgronden op de onderhavige delicten niet van toepassing zijn. Voor het overige zijn de in art. 266 Sr gemaakte onderscheidingen hier van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 242
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 april 2005

Strafkamer

nr. 00551/04

LR/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 september 2003, nummer 23/004591-02, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 8 mei 2002 - de verdachte ter zake van "opzettelijke belediging van de vermoedelijke opvolger van de Koning en opzettelijke belediging van de echtgenoot van de vermoedelijke opvolger van de Koning" veroordeeld tot een geldboete van éénhonderd euro, subsidiair twee dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel bevat onder meer de klacht dat het Hof heeft verzuimd de inleidende dagvaarding nietig te verklaren wegens innerlijke tegenstrijdigheid.

3.2.1. Aan de verdachte is tenlastegelegd, zoals deze tenlastelegging is gewijzigd, dat:

"hij op of omstreeks 2 februari 2002 te Amsterdam opzettelijk de vermoedelijke opvolger van de Koningin, te weten Prins Willem-Alexander en/of de echtgenote van de vermoedelijke opvolger van de koningin, te weten Maxima Zorreguieta, tijdens de rijtoer met de Gouden Koets, ter gelegenheid van hun huwelijk, in het openbaar door feitelijkheden heeft beledigd, door een of meer (in een onbekende vloeistof gedrenkte) tampons naar, althans in de richting van de Gouden Koets te gooien."

3.2.2. Daarvan is door het Hof bewezen verklaard dat:

"hij op 2 februari 2002 te Amsterdam opzettelijk de vermoedelijke opvolger van de koningin, te weten Prins Willem-Alexander en de echtgenote van de vermoedelijke opvolger van de koningin, te weten Maxima Zorreguieta, tijdens de rijtoer met de Gouden Koets ter gelegenheid van hun huwelijk, in het openbaar door feitelijkheden heeft beledigd door een in vloeistof gedrenkte tampon naar de Gouden Koets te gooien."

3.3. De klacht berust, blijkens de daarop gegeven toelichting, op de opvatting dat op de in de art. 111 en 112 Sr strafbaar gestelde misdrijven evenzeer de in Titel XVI van Boek II van het Wetboek van Strafrecht onderscheiden wijzen waarop de aldaar strafbaar gestelde vormen van belediging kunnen worden aangedaan, van toepassing zijn. Uit die opvatting vloeit, aldus het middel, voort dat de onderhavige tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig is, omdat die tenlastelegging de verdenking behelst dat de verdachte, die door middel van een feitelijkheid de belediging heeft aangedaan, zulks in het openbaar heeft gedaan, terwijl art. 266 Sr belediging in het openbaar slechts strafbaar stelt ingeval die mondeling of bij geschrift of afbeelding wordt aangedaan en de strafbare belediging door middel van een feitelijkheid uitsluitend in tegenwoordigheid van het slachtoffer kan geschieden.

3.4.1. Art. 112 Sr luidt als volgt:

"Opzettelijke belediging van de echtgenoot van de Koning, van de vermoedelijke opvolger van de Koning, van diens echtgenoot, of van de Regent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie."

3.4.2. De art. 111 en 112 Sr zijn opgenomen in de Tweede Titel van het Tweede Boek van dat Wetboek, welke titel als opschrift draagt "Misdrijven tegen de koninklijke waardigheid". De Memorie van Toelichting houdt met betrekking tot de desbetreffende strafbare feiten - voorzover hier van belang - het volgende in:

"Het begrip beleediging moet worden verklaard uit titel XVI. Evenals in het opschrift van dien titel is beleediging hier een nomen generis, waaronder smaad, smaadschrift, laster, eenvoudige beleediging en lasterlijke aanklagt begrepen zijn. Om alzoo wegens deze beleediging strafbaar te zijn moet op zijn minst aan de vereischten van art. 285 [266] voldaan wezen. Met het oog op de personen tegen wie het misdrijf gepleegd wordt, draagt elke beleediging hier een zoo ernstig karakter dat de onderscheidingen van titel XVI buiten aanmerking blijven en het maximum der straf dat tegen laster behoort te overtreffen. Aan den regter is eene groote ruimte gelaten om bij de toepassing der straf op den aard van de beleediging behoorlijk te kunnen acht slaan. (...)"

(H.J. Smidt II, 1881, p 41-42)

3.4.3. Art. 266 Sr luidt - voorzover hier van belang - als volgt:

"1. Elke opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid (...) door feitelijkheden (...) aangedaan, wordt, als eenvoudige belediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. (...)"

3.5. Aangenomen moet worden dat de in de art. 111 en 112 Sr bedoelde personen in meerdere mate tegen belediging beschermd dienen te worden dan anderen en dat die extra bescherming tot uitdrukking wordt gebracht door het laten vervallen van het klachtvereiste, door de hogere strafbedreiging die op de feiten is gesteld en doordat de in Titel XVI van Boek II van het Wetboek van Strafrecht omschreven strafuitsluitingsgronden niet op de onderhavige delicten van toepassing zijn. Voor het overige zijn de in art. 266 Sr gemaakte onderscheidingen hier van toepassing.

3.6. De hiervoor onder 3.3 weergegeven opvatting is dus juist. De in het middel verwoorde klacht faalt evenwel, in aanmerking genomen dat de tenlastelegging zowel vermeldt dat het feit in het openbaar is begaan als in tegenwoordigheid van Z.K.H. Prins Willem-Alexander en diens echtgenote H.K.H. Prinses Maxima, waarin besloten ligt dat het feit in hun tegenwoordigheid is begaan, terwijl bovendien uit het verhandelde ter terechtzitting niet blijkt dat de tenlastelegging door de verdachte onbegrijpelijk werd geacht. Het middel is dus in zoverre tevergeefs voorgesteld.

3.7. Ook overigens is het middel tevergeefs voorgesteld. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, J.W. Ilsink, J. de Hullu en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 19 april 2005.