Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AR6818

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-05-2005
Datum publicatie
13-05-2005
Zaaknummer
39597
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AR6818
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2003:AF5967
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Door gemeente teruggenomen WOZ-beschikking; geldige grondslag voor aanslag in de waterschapsomslag?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:40, geldigheid: 2005-05-13
Waterschapswet 131, geldigheid: 2005-05-13
Waterschapswet 120, geldigheid: 2005-05-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2005, 696 met annotatie van Groenewegen
FutD 2005-0953 met annotatie van Fiscaal up to Date
Belastingblad 2005/652
BNB 2005/258 met annotatie van Van Leijenhorst
FED 2005/92
V-N 2005/27.28

Uitspraak

Nr. 39.597

13 mei 2005

RS

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 6 maart 2003, nr. P02/02481, betreffende na te melden aanslag in de waterschapsomslag.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de waterschapsomslag van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (hierna: het Hoogheemraadschap) opgelegd ten bedrage van ƒ 90,78, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de ambtenaar belast met de heffing van het Hoogheemraadschap (hierna: de ambtenaar) is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de ambtenaar vernietigd en de aanslag verminderd tot een bedrag van ƒ 90. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het dagelijks bestuur van het Hoogheemraadschap (hierna: het dagelijks bestuur) heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 19 oktober 2004 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het cassatieberoep van belanghebbende en tot vernietiging van de Hofuitspraak alsmede de aanslag.

Het dagelijks bestuur heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de klacht

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. De gemeente Q heeft aan belanghebbende bij brief van 11 april 2001 medegedeeld:

"Binnenkort zal u van de gemeente Q een nieuwe WOZ-beschikking ontvangen.

Bij controle is gebleken dat deze beschikking een onjuiste waarde vermeldt.

Het is echter niet mogelijk dit voor de verzending te corrigeren, daar de beschikking al bij de drukker ligt.

De gemeente is momenteel bezig deze waarde te corrigeren, u zult zo spoedig mogelijk de verbeterde WOZ-beschikking ontvangen. (...)"

3.1.2. Belanghebbende heeft vervolgens een waardebeschikking ontvangen, gedagtekend 30 april 2001, waarin de gemeente ter uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) meedeelt dat de waarde van de woning van belanghebbende voor het tijdvak 2001-2004 is vastgesteld op ƒ 447.000.

3.1.3. De ambtenaar heeft deze waarde (op het aanslagbiljet vermeld in de kolom "WOZ-waarde") ten grondslag gelegd aan de onderhavige aan belanghebbende opgelegde aanslag, gedagtekend 30 september 2001.

3.1.4. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze aanslag, onder verwijzing naar de hiervoor in 3.1.1 geciteerde brief van de gemeente Q.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat deze brief weliswaar twijfel doet ontstaan over de vraag welke waarde de gemeente beoogde vast te stellen, maar dat niettemin sprake is van een waardebeschikking als voorzien in de Wet WOZ, waartegen geen bezwaar is gemaakt. De klacht richt zich tegen dit oordeel, met het betoog dat de WOZ-beschikking van 30 april 2001 rechtsgevolg ontbeert.

3.3. De klacht slaagt in zoverre dat de hiervoor in 3.1.1 geciteerde brief van de gemeente eraan in de weg staat dat in de verhouding tussen de gemeente en belanghebbende enig rechtsgevolg wordt verbonden aan de hiervoor in 3.1.2 omschreven "beschikking", zodat het Hof ten onrechte betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat belanghebbende bij de gemeente geen bezwaar heeft gemaakt tegen die "beschikking". 's Hofs uitspraak kan derhalve niet in stand blijven.

3.4. In zijn reactie op de conclusie van de Advocaat-Generaal heeft het dagelijks bestuur onderschreven dat - zoals in die conclusie is betoogd - de hiervoor in 3.1.2 omschreven "beschikking" rechtskracht ontbeert, en gewezen op zijn uit artikel 131 Waterschapswet voortvloeiende gedragslijn om ingeval van bezwaar tegen een WOZ-beschikking te wachten tot er een juiste WOZ-beschikking is en deze onherroepelijk vaststaat, waarna het zijn aanslagen daaraan aanpast. In overeenstemming hiermee acht de Hoge Raad het in de gegeven omstandigheden doelmatig dat hier dezelfde gedragslijn wordt toegepast.

3.5. De Hoge Raad zal niet, zoals belanghebbende voorstaat, de aanslag verminderen tot op het bedrag dat strookt met de WOZ-waarde van zijn woning die vastgesteld is voor het tijdvak voorafgaande aan het onderhavige heffingsjaar. Daartegen verzetten zich artikel 120, lid 2, van de Waterschapswet en het daarmee in overeenstemming zijnde artikel 9, lid 1, van de toepasselijke omslagverordening.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, alsmede de uitspraak van de ambtenaar,

draagt de ambtenaar op met inachtneming van dit arrest opnieuw uitspraak te doen op het bezwaar van belanghebbende, en gelast dat het Hoogheemraadschap aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 87.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2005.