Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AR6612

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-01-2005
Datum publicatie
18-01-2005
Zaaknummer
00564/04
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AR6612
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2003:AO5171
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vrijwillige terugtred ex art. 46b Sr en poging tot moord. 's Hofs oordeel dat het beroep op vrijwillige terugtred moet worden verworpen gelet op hetgeen verdachte reeds had verricht strekkende tot voltooiing van het delict is onjuist noch onbegrijpelijk in aanmerking genomen 's hofs vaststellingen omtrent de aard van de gedragingen van verdachte (6 à 7 keer met koevoet op lichaam slaan) en het als gevolg daarvan door het slachtoffer opgelopen potentieel levensbedreigende letsel (meerdere bot- en ribbreuken en een klaplong), terwijl voorts niet is aangevoerd dat verdachte daarna enige handeling heeft verricht om het intreden van het gevolg te beletten, doch slechts dat hij op enig moment is opgehouden met slaan en verder passief is gebleven.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 46b
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2005, 59
NBSTRAF 2005/59
JOL 2005, 40
NJ 2005, 164

Uitspraak

18 januari 2005

Strafkamer

nr. 00564/04

SCR/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 25 november 2003, nummer 22/002907-03, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De Schie" te Rotterdam.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 23 mei 2003 - de verdachte ter zake van "poging tot moord" veroordeeld tot vijf jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld.

1.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. A.M. Ficq-Kengen, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadslieden op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

Voorts is bij de Hoge Raad een geschrift van de verdachte ingekomen.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof niet heeft beslist op een verweer, daartoe strekkende dat sprake was van vrijwillige terugtred als bedoeld in art. 46b Sr.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 31 december 2001 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [het slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, met kracht met een koevoet, op en/of tegen de benen en de handen en/of de rug en de armen en de ribben van die [slachtoffer] heeft geslagen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid."

3.3. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting heeft de raadsman een beroep gedaan op vrijwillige terugtred, daartoe - kort samengevat - stellende dat de verdachte nadat hij zijn broer [het slachtoffer] een aantal malen met een koevoet tegen diens lichaam had geslagen, uit eigen beweging terwijl zijn broer op de grond lag, met dat slaan is opgehouden zonder dat bijvoorbeeld de politie tussenbeide was gekomen.

3.4. Het verkorte arrest van het Hof houdt, na een overweging met betrekking tot het letsel dat het slachtoffer heeft opgelopen en een beschouwing omtrent het bewijs van de voorbedachte raad, in:

"Voor zover al niet uit het voorgaande voortvloeit dat het opzet van de verdachte was gericht op de levensberoving van zijn broer [het slachtoffer] is het hof van oordeel dat - ook al zou de verdachte, zoals deze heeft betoogd, op enig moment in de woning van het slachtoffer tot inkeer zijn gekomen en om die reden zijn oorspronkelijke plan om zijn broer [het slachtoffer] te doden hebben laten varen en hem nog slechts hebben willen verwonden - de verdachte door te handelen als hiervoor omschreven welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn broer als gevolg van het slaan met een koevoet op de rug en de ribben zodanig letsel zou bekomen dat deze aan de gevolgen daarvan zou kunnen overlijden."

3.5. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld:

(i) dat de verdachte zijn broer meermalen, naar schatting zes of zeven keer, met een koevoet met kracht op diverse plaatsen van diens lichaam heeft geslagen;

(ii) dat op een bepaald moment [betrokkene 1], een buurman van het slachtoffer, ter plaatse kwam en zag dat de verdachte bezig was zijn broer met een breekijzer te slaan;

(iii) dat gelet op de opgemaakte medische verklaring verdachtes broer meerdere bot- en ribbreuken heeft opgelopen alsmede een klaplong, welke potentieel levensbedreigend was, terwijl er sprake was van het vermoeden van ernstig inwendig bloedverlies.

3.6. In 's Hofs hiervoor onder 3.4 weergegeven overweging ligt besloten dat het beroep op vrijwillige terugtred dient te worden verworpen gelet op hetgeen de verdachte reeds had verricht strekkende tot voltooiing van het delict. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk in aanmerking genomen hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent de aard van de gedragingen van de verdachte en het als gevolg daarvan door zijn broer opgelopen, potentieel levensbedreigende letsel, terwijl voorts niet is aangevoerd dat de verdachte daarna enige handeling heeft verricht om het intreden van het gevolg te beletten, doch slechts dat hij op enig moment is opgehouden met slaan en verder passief is gebleven.

3.7. Uit het voorgaande volgt dat het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie kan leiden.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 18 januari 2005.