Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AR6202

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-02-2005
Datum publicatie
25-02-2005
Zaaknummer
C04/113HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AR6202
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2003:AO1671
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

25 februari 2005 Eerste Kamer Nr. C04/113HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. S.F. van Sagel, t e g e n 1. [Verweerster 1], gevestigd te [vestigingsplaats], 2. ALPHAMO BELEGGINGSMAATSCHAPPIJ B.V., gevestigd te Velp, gemeente Rheden, 3. RECORD B.V., gevestigd te Velp, gemeente Rheden, VERWEERSTERS in cassatie, advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 129
JWB 2005/82
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

25 februari 2005

Eerste Kamer

Nr. C04/113HR

JMH/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. S.F. van Sagel,

t e g e n

1. [Verweerster 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. ALPHAMO BELEGGINGSMAATSCHAPPIJ B.V.,

gevestigd te Velp, gemeente Rheden,

3. RECORD B.V.,

gevestigd te Velp, gemeente Rheden,

VERWEERSTERS in cassatie,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweersters in cassatie - verder afzonderlijk te noemen: [verweerster 1], Alphamo en Record, dan wel gezamenlijk: [verweerster] c.s. - hebben bij exploot van 26 mei 2003 (1) D&R Holland B.V., gevestigd te Nijmegen, (2) [betrokkene 1], wonende te [woonplaats], België, (3) [betrokkene 2], wonende te [woonplaats], (4) [betrokkene 3], wonende te [woonplaats], en eiser tot cassatie - verder afzonderlijk te noemen: D&R Holland, [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [eiser], dan wel gezamenlijk: D&R Holland c.s. - in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank te Arnhem en - na wijziging van eis ter zitting en voor zover thans van belang - gevorderd bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

I. D&R Holland c.s. primair te veroordelen om zich gedurende vijf jaar na het wijzen van het vonnis niet bezig te houden met en niet direct of indirect op enigerlei wijze betrokken te zijn bij de productie, handel en verkoop van cupjes ten behoeve van waxinelichtjes, onder verbeurte van een dwangsom van € 100.000,-- per dag met een maximum van € 7.500.000,-- en subsidiair D&R Holland c.s. te verbieden om direct of indirect enige zakelijke relatie aan te gaan met dan wel aanbiedingen te doen aan klanten van Record, eveneens op straffe van de onder 1 genoemde dwangsom en het daar genoemde maximum;

II. D&R Holland c.s. hoofdelijk te veroordelen om als voorschot op de schadeloosstelling aan [verweerster 1] een bedrag van € 250.000,-- te betalen, en

III. [Betrokkene 3] te veroordelen om aan Alphamo een boete van ƒ 100.000,-- (€ 45.378,02) te betalen en

IV. [Eiser] te veroordelen om aan Record een boete van ƒ 100.000,-- (€ 45.378,02) te betalen.

D&R Holland c.s. hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 23 juni 2003 gemotiveerd verweer gevoerd. Daarbij heeft [eiser] in voorwaardelijke reconventie gevorderd [verweerster] c.s. te veroordelen tot het betalen aan hem van een maandelijkse vergoeding ter grootte van zijn maandelijkse loon, zijnde € 2.300,-- bruto, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, subsidiair van een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen maandelijkse vergoeding, zulks tot het moment dat hij zich weer bezig zal mogen houden met de productie, handel en/of verkoop van cupjes ten behoeve van waxinelichtjes, zulks in de breedste zijn des woords.

[Verweerster] c.s. hebben zich tegen de door [eiser] ingestelde vordering verweerd en geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorziening.

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 7 juli 2003 in conventie de gevorderde voorzieningen geweigerd.

Tegen dit vonnis hebben [verweerster] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. Onder wijziging van hun eis hebben [verweerster] c.s., voorzover thans van belang, geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis en gevorderd:

I primair D&R Holland c.s. te veroordelen om zich gedurende vijf jaar dan wel binnen een zodanige termijn als het hof redelijk acht na het wijzen van het arrest noch direct noch indirect bezig te houden met de productie, handel en/of verkoop van cupjes en/of katoenhouders ten behoeve van de kaarsenindustrie, dan wel daarbij op enigerlei wijze in financiële zin of anderszins betrokken te zijn, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000,-- per dag met een maximum van € 7.500.000,--;

II subsidiair D&R Holland c.s. te veroordelen om zich binnen vijf jaar, dan wel binnen een zodanige termijn als het hof redelijk acht, na het wijzen van het arrest te onthouden van het op enigerlei wijze, in financiële zin of anderszins, direct of indirect, betrokken zijn bij het leveren en/of aanbieden van cupjes en/of katoenhouders ten behoeve van de kaarsenindustrie aan klanten van Record, zoals die zijn aangegeven in de aan de dagvaarding gehechte lijst op straffe van verbeurte van de onder 1 primair genoemde dwangsom;

III D&R Holland c.s. hoofdelijke te veroordelen om ten titel van voorschot op de schadeloosstelling aan [verweerster 1] een bedrag van € 250.000,-- te betalen.

[Betrokkene 3] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 25 november 2003 heeft het hof in het principaal en het incidenteel appel het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Arnhem van 7 juli 2003 vernietigd en opnieuw, rechtdoende:

- D&R Holland c.s. verboden om gedurende twee jaar na betekening van dit arrest op enigerlei wijze, in financiële zin of anderszins, direct of indirect, betrokken te zijn bij het leveren en/of aanbieden van cupjes en/of katoenhouders ten behoeve van de kaarsenindustrie aan klanten van Record, zoals deze zijn aangegeven in de lijst die als productie 2 aan de dagvaarding ter inleiding van het onderhavige geding in hoger beroep is gehecht, een en ander in de breedste zin des woords en op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,-- voor iedere keer dat gedurende die periode door een van hen in strijd met dit bevel wordt gehandeld, met bepaling dat niet meer dan in totaal € 3.000.000,-- aan dwangsommen door hen zal kunnen worden verbeurd;

- dit arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

- de kosten van het geding in beide instanties in dier voege gecompenseerd dat iedere partij de eigen draagt, en

- het meer of anders gevorderde afgewezen.

[Verweerster] c.s. hebben het hof daarop bij brief van 2 december 2003 verzocht op de voet van art. 31 Rv. een herstelarrest te wijzen waarin het dictum zodanig wordt aangepast aan de rov. 4.13 van bovenvermeld arrest van het hof dat ook in het dictum wordt opgenomen dat het verbod geldt voor een periode van drie jaar.

Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Het hof heeft bij herstelarrest van 17 februari 2004 het arrest van 25 november 2003 in die zin verbeterd dat het in het dictum voorkomende woordje "twee" als "drie" moet worden gelezen.

Het herstelarrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het herstelarrest van het hof van 17 februari 2004 hebben D&R Holland c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] c.s., zonder [betrokkene 3], hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

D&R Holland B.V., [betrokkene 1] en Dorsser hebben ter rolle van 29 oktober 2004 hun cassatieberoep ingetrokken.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1 tot en met 1.10. Die feiten komen, voorzover hier van belang, op het volgende neer.

(i) Bij arrest van 25 november 2003 heeft het hof in rov. 4.13 overwogen dat het de subsidiaire vordering van [verweerster] c.s. strekkende tot een verbod van betrokkenheid bij het handelen in cups en katoenhouders voor waxinelichtjes voor een periode van drie jaar zal toewijzen, welke periode het hof "gelet op alle omstandigheden genoegzaam acht". In het dictum heeft het hof een verbod voor een periode van twee jaar opgelegd.

(ii) Bij het bestreden herstelarrest van 17 februari 2004 heeft het hof het arrest van 25 november 2003 verbeterd in die zin dat het in het dictum voorkomende woord "twee" als "drie" moet worden gelezen. Daartoe heeft het hof onder meer overwogen:

"2.1 Het hof is van oordeel dat in het (...) dictum van het arrest van 25 november 2003 sprake is van een kennelijke verschrijving omdat daarin een verbod wordt uitgesproken voor een periode van twee jaar, terwijl uit het door het hof onder 4.13 in dat arrest overwogene volgt dat dit verbod - gelet op alle omstandigheden - voor een periode van drie jaar moet gelden. Het dictum van een uitspraak moet immers logischerwijze voortvloeien uit de daaraan voorafgaande overwegingen, en niet vice versa.

(...)

2.5 De onder 2.1 bedoelde verschrijving leent zich voor eenvoudig herstel. De verzochte verbetering (...) dient derhalve plaats te vinden.

3.2 Bij behandeling van de middelen heeft [eiser] geen belang. Bij arrest van heden heeft de Hoge Raad op het beroep van [eiser] het (verbeterde) arrest van 25 november 2003 vernietigd. Voor beoordeling van het herstelarrest en de juistheid van de verbetering van het dictum van het arrest van 25 november 2003 bestaat daarom geen grond meer.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] c.s. begroot op € 359,34 aan verschotten en op € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 25 februari 2005.