Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AR6168

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-02-2005
Datum publicatie
04-02-2005
Zaaknummer
C03/203HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AR6168
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

4 februari 2005 Eerste Kamer Nr. C03/203HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: eerst mr. M.E.M.G. Peletier, thans mr. E.M. Tjon-En-Fa, t e g e n de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging FNV BONDGENOTEN, rechtsopvolgster van de Vervoersbond FNV, gevestigd te Amsterdam, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. S.F. Sagel. 1. Het verloop van het geding...

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 230
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 362
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 71
RAR 2005, 39
SR 2005, 27 met annotatie van D.J. Buijs
JWB 2005/52
JAR 2005/51
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 februari 2005

Eerste Kamer

Nr. C03/203HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: eerst mr. M.E.M.G. Peletier,

thans mr. E.M. Tjon-En-Fa,

t e g e n

de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging FNV BONDGENOTEN, rechtsopvolgster van de Vervoersbond FNV,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. S.F. Sagel.

1. Het verloop van het geding

De Hoge Raad verwijst naar zijn arrest van 25 februari 2000, nr. C98/217, NJ 2000, 471, voor het daaraan voorafgegane verloop van het geding. Bij dat arrest heeft de Hoge Raad het vonnis van de rechtbank te Roermond van 2 april 1998 vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing.

Bij memorie na verwijzing heeft FNV gevorderd:

1. te verklaren voor recht dat [eiseres] met ingang van 1 januari 1994 de interne regeling, dat tijdens ziekte vanaf de eerste ziektedag 100% van het laatstgenoemde nettoloon wordt betaald, wordt nageleefd;

2. [eiseres] te veroordelen met ingang van 1 januari 1994 aan zieke werknemers vanaf de eerste ziektedag 100% van het laatstverdiende nettoloon te betalen zulks binnen twee maanden na betekening van het te wijzen arrest.

Bij memorie van antwoord na verwijzing heeft [eiseres] verzocht het vonnis van de rechtbank te Roermond van 2 april 1998 (onder verbetering van gronden) te bekrachtigen.

Na een tussenarrest van 18 juni 2001, waarbij FNV in de gelegenheid is gesteld te reageren op de stellingen van [eiseres], en verdere memoriewisselingen tussen partijen, heeft het hof bij eindarrest van 1 april 2003 het vonnis van de kantonrechter te Venlo van 18 december 1996 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de hiervoor vermelde vorderding van FNV toegewezen.

Het eindarrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het eindarrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

FNV heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De advocaat van [eiseres] heeft gerepliceerd.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in deze zaak om de vraag of [eiseres] gehouden is tot continuering van de in het verleden door haar toegepaste interne regeling - hierna: de suppletieregeling - op grond waarvan aan niet onder de CAO voor het beroepsgoederenvervoer vallende werknemers bij ziekte vanaf de eerste dag het ziekengeld werd aangevuld tot 100% van het nettoloon. [Eiseres] heeft die regeling met ingang van 1 januari 1994, in verband met de op die datum in werking getreden Wet terugdringing ziekteverzuim (Wtz), eenzijdig gewijzigd. Het vonnis van de rechtbank, waarbij de op art. 3:305a BW stoelende vordering van FNV was afgewezen, is bij het onder 1 vermelde arrest van de Hoge Raad vernietigd, omdat de rechtbank bij het honoreren van het door [eiseres] gedane beroep op art. 6:248 lid 2 BW een onjuiste maatstaf had aangelegd.

3.2 Na verwijzing heeft het hof, na partijen in de gelegenheid te hebben gesteld zich uit te laten omtrent, kort gezegd, de financiële gevolgen van de invoering van de Wtz voor [eiseres] als werkgever, in zijn eindarrest in de eerste plaats onderzocht of de suppletieregeling, door de bestendige toepassing daarvan door [eiseres], deel is gaan uitmaken van de individuele arbeidsovereenkomsten. Het hof is tot een bevestigende beantwoording van die vraag gekomen, waartoe het onder meer heeft overwogen, kort gezegd, dat [eiseres] tot 1 januari 1994 ten aanzien van de werknemers voor wie de CAO voor het beroepsgoederenvervoer niet geldt, met hun instemming gedurende vele jaren de suppletieregeling heeft toegepast, hetgeen geen andere conclusie rechtvaardigt dan dat de suppletieregeling deel is gaan uitmaken van de arbeidsovereenkomsten van de betrokken werknemers (rov. 3.2.1). Het hof heeft vervolgens onderzocht of [eiseres] de regeling na 1 januari 1994 buiten toepassing mocht laten omdat ongewijzigde instandhouding daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, welke vraag het, de financiële gevolgen van de invoering van de Wtz voor [eiseres] en de doelstelling van die wet in aanmerking genomen, ontkennend heeft beantwoord (rov. 3.4.1-3.5.3). Het heeft daarop de (gewijzigde) vordering van FNV, zoals hiervoor onder 1 weergegeven, toegewezen.

3.3.1 Het middel keert zich tegen het dictum van 's hofs eindarrest. Het berust in al zijn onderdelen op het uitgangspunt dat daarin is beslist dat [eiseres] gehouden is de suppletieregeling toe te passen jegens al haar - de Hoge Raad begrijpt: niet onder de meergenoemde CAO vallende - werknemers, dus ook jegens de werknemers die op of na 1 januari 1994 in dienst zijn getreden, toen de suppletieregeling wijziging had ondergaan.

3.3.2 Bij de beoordeling van de onderdelen dient in aanmerking te worden genomen dat dictum van 's hofs arrest moet worden uitgelegd in het licht en met inachtneming van de overwegingen welke tot de beslissing hebben geleid (vgl. HR 23 januari 1998, nr. 16.495, NJ 2000, 544). De FNV heeft blijkens de inleidende dagvaarding de onderhavige vordering ingesteld ten behoeve van een groep leden die allen al een aantal jaren bij [eiseres] in dienst waren en die op grond van de suppletieregeling recht hadden op aanvulling van hun ziekengeld tot 100% van het nettoloon. Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft het hof onderzocht of en geoordeeld dat de tot 1 januari 1994 gehanteerde suppletieregeling deel is gaan uitmaken van de arbeidsovereenkomsten van de werknemers waarop die regeling gedurende vele jaren was toegepast. In aanmerking genomen dat ten processe vaststaat dat de suppletieregeling met ingang van 1 januari 1994 is gewijzigd en de voordien geldende regeling dus niet meer is toegepast op nadien totstandgekomen arbeidsovereenkomsten, dient het dictum van het eindarrest aldus te worden begrepen dat de daarin uitgesproken verklaring voor recht en veroordeling slechts betrekking hebben op de werknemers die vóór 1 januari 1994 in dienst zijn getreden. Het middel mist dus feitelijke grondslag en kan daarom niet tot cassatie leiden.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van FNV begroot op € 316,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst, A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 4 februari 2005.