Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2005:AR6164

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-02-2005
Datum publicatie
18-02-2005
Zaaknummer
C03/185HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AR6164
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

18 februari 2005 Eerste Kamer Nr. C03/185HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. PEJORI BEHEER B.V., 2. APSO B.V., 3. APLOF B.V., alle gevestigd te Ursem, gemeente Wester-Koggeland, EISERESSEN tot cassatie, incidenteel verweersters, advocaat: mr. R.T.R.F. Carli, t e g e n AEGON SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd te 's-Gravenhage, VERWEERSTER in cassatie, incidenteel eiseres, advocaat: mr. R.S. Meijer. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2005, 116
NJ 2005, 216
RvdW 2005, 32
JWB 2005/72
JA 2005/37 met annotatie van F.Th. Kremer
JBPR 2005/36 met annotatie van M.R. Ruygvoorn
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 februari 2005

Eerste Kamer

Nr. C03/185HR

JMH/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. PEJORI BEHEER B.V.,

2. APSO B.V.,

3. APLOF B.V.,

alle gevestigd te Ursem, gemeente Wester-Koggeland,

EISERESSEN tot cassatie,

incidenteel verweersters,

advocaat: mr. R.T.R.F. Carli,

t e g e n

AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

VERWEERSTER in cassatie,

incidenteel eiseres,

advocaat: mr. R.S. Meijer.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseressen tot cassatie - verder te noemen: Pejori c.s. - hebben bij exploot van 12 augustus 1997 verweerster in cassatie - verder te noemen: Aegon - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage. Na eiswijzigingen hebben zij gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

a. te verklaren voor recht dat de schade die als gevolg van de brand van 6 februari 1996 is ontstaan is gedekt onder de brandpolis;

b. Aegon te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 10.642.828,74, te verminderen met ƒ 1.800.000,--, maar te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 1996, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening en vermeerderd met buitengerechtelijke kosten ten bedrage van ƒ 328.180,--;

c. Aegon te veroordelen tot vergoeding van geleden aanvullende (bedrijfs)schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met wettelijke rente;

subsidiair:

Aegon te veroordelen tot betaling aan Pejori c.s. van een bedrag van ƒ 4.558.068,50, te vermeerderen met 20% ter zake van aanvullende dekking, een en ander nog te vermeerderen met wettelijke rente als primair onder b gevorderd en buitengerechtelijke kosten ten bedrage van ƒ 164.090,--.

Aegon heeft de vorderingen bestreden en harerzijds in reconventie gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. te verklaren voor recht dat Aegon niet gehouden is dekking te verlenen voor enigerlei door Pejori c.s. geleden schade als gevolg van de brand van 6 februari 1996;

2. Pejori c.s. hoofdelijk (althans gezamenlijk) te veroordelen tot (terug)betaling aan Aegon van ƒ 1.800.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 augustus 1996 tot aan de dag der algehele voldoening;

3. Pejori c.s. hoofdelijk (althans gezamenlijk) te veroordelen tot vergoeding van de door Aegon betaalde kosten van onderzoek en schadevaststelling verband houdende met de brand van 6 februari 1996, te begroten op ƒ 246.363,71, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 augustus 1996, althans vanaf 24 november 1996, althans vanaf 9 juni 1998 tot aan de dag der algehele voldoening;

4. Pejori c.s. hoofdelijk (althans gezamenlijk) te veroordelen tot vergoeding van de door Aegon betaalde buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand verband houdend met de brand van 6 februari 1996, te begroten op ƒ 113.070,30, althans nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juni 1998 tot aan de dag der algehele voldoening.

Pejori c.s. hebben in reconventie de vorderingen bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 21 maart 2001 in conventie de vorderingen afgewezen, in reconventie Pejori c.s. hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan Aegon van ƒ 1.800.000,-- en ƒ 221.034,01, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 31 augustus 1996 tot aan de dag der algehele voldoening, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen dit vonnis hebben Pejori c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Aegon heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 25 maart 2003 heeft het hof in het principaal appel het beroep tegen het tussen partijen in conventie en in reconventie gewezen vonnis van 21 maart 2001 van de rechtbank te 's-Gravenhage verworpen, in het incidenteel appel voormeld vonnis vernietigd, voor zover inhoudende de veroordeling van Pejori c.s. in de kosten van het geding in conventie en in reconventie, en, opnieuw rechtdoende, Pejori c.s. zowel in conventie als in reconventie veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Aegon zoals in het dictum van het arrest begroot en voor het overige voormeld vonnis van de rechtbank zowel in conventie als in reconventie bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben Pejori c.s. beroep in cassatie ingesteld. Aegon heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende het incidenteel beroep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Aegon mede door mr. B.T.M. van der Wiel, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het principale beroep en tot vernietiging van het bestreden arrest in het incidentele beroep en verwijzing van het geding naar een ander gerechtshof.

De advocaat van Aegon heeft bij brief van 1 november 2004 op die conclusie gereageerd.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Pejori c.s. exploiteerden in Ursem en Zwaagdijk-Oost een bedrijf dat zich meer in het bijzonder bezig hield met de witloftrekkerij en de handel in witlof en andere tuinbouwproducten. Aegon heeft de bedrijfsgebouwen, waarvan Pejori Beheer eigenaar was, sedert 1994 verzekerd tegen onder meer brand. De polisvoorwaarden houden onder meer de volgende bepalingen in:

"6.1. Zodra de verzekeringnemer kennis draagt van een gebeurtenis die voor de maatschappij tot een verplichting tot uitkering kan leiden, is hij verplicht:

(...)

6.1.3. zijn volle medewerking te verlenen bij de regeling van de schade en alles na te laten, wat de belangen van de maatschappij zou kunnen schaden;

(...)

6.1.5. de aanwijzingen van de maatschappij nauwkeurig op te volgen en de terzake van de schade gestelde vragen volledig en naar waarheid te beantwoorden.

6.2 Deze verzekering geeft geen dekking, indien de verzekeringnemer een van deze verplichtingen niet is nagekomen en daardoor de belangen van de maatschappij heeft geschaad."

(ii) Op 6 februari 1996 is brand ontstaan in een deel van de bedrijfsgebouwen van Pejori c.s. te Ursem. Pejori c.s. hebben de brandschade bij Aegon gemeld. Naar aanleiding daarvan heeft [betrokkene 1] van het technisch expertisebureau [A] B.V. een uitgebreid onderzoek ingesteld naar het ontstaan van de brand, in het kader waarvan hij ter plaatse technisch onderzoek heeft verricht en uitvoerig heeft gesproken met [betrokkene 2] (directeur en aandeelhouder van Pejori Beheer), [betrokkene 3] en [betrokkene 4] (beiden indirect aandeelhouder van Pejori Beheer). [Betrokkene 1] heeft een expertiserapport opgesteld, gedateerd 26 februari 1996.

(iii) Bij akten van taxatie van augustus 1996 hebben de voor partijen optredende taxateurs de schade getaxeerd op (ongeacht eventuele onderverzekering en exclusief 20% aanvullende dekking) ƒ 9.116.137,95. Bij wege van voorschot op de definitieve schade-uitkering heeft Aegon een bedrag van in totaal ƒ 1.800.000,-- aan Pejori c.s. betaald.

(iv) Aegon heeft bij brief van 21 augustus 1996 aan Pejori c.s. medegedeeld de verlangde schadevergoedingen onder de verzekeringsovereenkomsten af te wijzen en aanspraak gemaakt op terugbetaling van het betaalde voorschot.

3.2 Pejori c.s. hebben in het onderhavige geding de hiervoor in 1 nader omschreven vorderingen ingesteld, die voor zover in cassatie van belang hierop neerkomen dat voor recht wordt verklaard dat de schade als gevolg van de brand is gedekt onder de brandpolis en dat Aegon wordt veroordeeld tot vergoeding daarvan. Aegon heeft deze vorderingen bestreden en in reconventie de hiervoor in 1 weergegeven vorderingen ingesteld. Voor zover in cassatie van belang strekken deze vorderingen ertoe Pejori c.s. te veroordelen tot terugbetaling van het voorschot en tot vergoeding van de kosten van onderzoek en schadevaststelling alsmede de buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand, ten bedrage van ƒ 246.363,71 onderscheidenlijk ƒ 113.070,30. Aan deze vorderingen heeft Aegon ten grondslag gelegd dat deze kosten niet hadden behoeven te worden gemaakt indien Pejori c.s., kort gezegd, de aanwezigheid van een allesbrander in het bedrijfscomplex direct hadden gemeld, zoals zij verplicht waren.

De rechtbank heeft in conventie de vorderingen van Pejori c.s. afgewezen. In reconventie heeft zij de vordering van Aegon tot terugbetaling en tot vergoeding van de kosten van onderzoek en schadevaststelling tot een bedrag van ƒ 221.034,01 toegewezen. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand heeft zij afgewezen.

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank, behoudens de beslissingen ten aanzien van de proceskosten aan de zijde van Aegon, in conventie en in reconventie bekrachtigd.

4. Beoordeling van de middelen in het principale beroep

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

5.1 Naar aanleiding van de in het principaal hoger beroep door Pejori c.s. aangevoerde grieven, die betrekking hadden op de vraag of Aegon zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zij niet gehouden was de schade te vergoeden, heeft het hof onder meer het volgende overwogen.

Door niet mede te delen dat in het bedrijf een allesbrander met een daarop aangesloten olievat aanwezig was, zijn de in het kader van het onderzoek gestelde vragen ter zake van de schade niet volledig en naar waarheid beantwoord. Daardoor hebben Pejori c.s. in strijd gehandeld met het duidelijke en niet voor tweeërlei uitleg vatbare art. 6.1.5 van de polisvoorwaarden. Hieraan doet niet af dat volgens Pejori c.s. het onderzoek van [betrokkene 1] zich van meet af aan heeft geconcentreerd op de werkplaats en de machinekamer en niet op de direct daarnaast gelegen loods waar de allesbrander stond, nu dit het gevolg is geweest van het feit dat [betrokkene 4] heeft verklaard dat hij kort voor de brand slijpwerkzaamheden heeft uitgevoerd in de werkplaats. Aanvullende onderzoeken door Aegon (afdeling speciale zaken) en [betrokkene 1] naar aanleiding van een anonieme tip dat de brand niet het gevolg is geweest van het uitvoeren van de slijpwerkzaamheden, maar een gevolg zou zijn van een brandende zelfgebouwde allesbrander, alsmede de tijdens voorlopige getuigenverhoren afgelegde verklaringen leveren voldoende feiten en omstandigheden op die het vermoeden rechtvaardigen dat het missen van de mogelijkheid om direct na de brand de allesbrander in het onderzoek naar het ontstaan van de brand te betrekken Aegon ook daadwerkelijk in een ongunstige positie heeft gebracht.

Dit een en ander is in cassatie niet of tevergeefs bestreden. Nu Aegon haar vorderingen in reconventie mede heeft gegrond op hetgeen zij in conventie als verweer tegen de vordering van Pejori c.s. had aangevoerd, moet van hetgeen het hof heeft overwogen ook worden uitgegaan voor de beoordeling van het middel in het incidentele beroep, dat zich richt tegen de bekrachtiging door het hof van het vonnis van de rechtbank, voor zover daarin haar reconventionele vorderingen zijn afgewezen.

5.2.1 Onderdeel I heeft betrekking op de afwijzing van de vordering in reconventie van Aegon tot vergoeding van de kosten van het rapport-[betrokkene 1] ten bedrage van ƒ 25.329,70. Het hof heeft de grief van Aegon tegen de afwijzing door de rechtbank van deze vordering verworpen op de grond dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat deze kosten niet ook hadden moeten worden gemaakt indien Pejori c.s. de allesbrander wel hadden gemeld, en dat de omstandigheid dat Aegon een beroep toekomt op de polisvoorwaarden en de verzekering dientengevolge geen dekking geeft, niet meebrengt dat Aegon daarmede ook gerechtigd is de kosten van het door haar ingeschakelde bureau [A] op Pejori c.s. te verhalen.

5.2.2 Het onderdeel klaagt dat het hof, aldus overwegende, is voorbijgegaan aan essentiële stellingen van Aegon, waarop zij haar vordering in reconventie en haar incidentele grief heeft doen steunen, en die niet beperkt zijn tot het niet tijdig melden van de aanwezigheid van de allesbrander, maar primair het verwijt inhouden dat Pejori c.s. wisten dat de brand was veroorzaakt door het, als merkelijke schuld aan te merken, gebruik van een gevaarlijke allesbrander, dat zij desbewust voor [betrokkene 1] en Aegon de veroorzaking van de brand door de allesbrander hebben verzwegen en dat zij hebben getracht dit ook overigens voor hen te verdoezelen, terwijl [betrokkene 1] daardoor onnodige onderzoekshandelingen heeft verricht. Het onderdeel verwijt het hof voorts het uitdrukkelijke aanbod van Aegon de aard en noodzaak van deze kosten te bewijzen te hebben gepasseerd.

5.2.3 Deze klachten treffen doel. Door niet te onderzoeken of de desbetreffende stellingen van Aegon voldoende grond opleveren voor een vordering tot schadevergoeding wegens wanprestatie of onrechtmatige daad van Pejori c.s. en het bewijsaanbod van Aegon met betrekking tot de aard en noodzaak van de kosten te passeren, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting indien het ervan zou zijn uitgegaan dat het vervallen van de dekking op grond van de polisvoorwaarden meebrengt dat geen plaats is voor een op wanprestatie of onrechtmatige daad van Pejori c.s. gegronde vordering van Aegon. Indien het hof niet van deze onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, heeft het onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang, aangezien dan niet duidelijk is op grond waarvan de door Aegon aangevoerde stellingen, indien juist, ontoereikend zouden zijn om zodanige vordering daarop te doen steunen.

5.3.1 Ten aanzien van de vordering tot vergoeding van de kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand, waarop grief 2 in het incidentele hoger beroep van Aegon betrekking had, heeft het hof, kort samengevat, overwogen dat niet is gebleken dat deze kosten niet moeten worden aangemerkt als kosten ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak, die zijn begrepen in het bij de veroordeling in de proceskosten toegepaste tarief, en evenmin dat de raadsman van Aegon naast de gebruikelijke werkzaamheden in verband met de voorbereiding van de gedingstukken en de instructie van de zaak nog andere werkzaamheden heeft verricht.

5.3.2 Bij de beoordeling van onderdeel II, dat zich met rechts- en motiveringsklachten richt tegen deze rechtsoverweging van het hof, moet het volgende worden vooropgesteld. Een veroordeling in de proceskosten, die in het algemeen ten laste van de verliezende partij en ten gunste van de winnende partij wordt uitgesproken, berust niet op een door de verliezende partij gepleegde onrechtmatige daad: procederen kan, ook als dat niet tot een gunstig resultaat leidt, op zichzelf niet als onrechtmatig worden aangemerkt (vgl. HR 27 juni 1997, nr. 16357, NJ 1997, 651). Daarmee hangt ook samen dat het hierbij gehanteerde forfaitaire tarief veelal niet een volledige vergoeding inhoudt van alle door de winnende partij in verband met de procedure gemaakte kosten.

Ten aanzien van buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand geldt dat zij op de voet van art. 6:96 BW voor vergoeding in aanmerking komen, onder meer als het gaat om redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, behoudens ingeval krachtens art. 241 Rv. de regels omtrent proceskosten van toepassing zijn. Deze laatste uitzondering doelt op verrichtingen waarvoor de proceskosten een vergoeding plegen in te sluiten; daarbij gaat het om de situatie dat een procedure volgt nadat eerst met het oog op het in die procedure te beslechten geschil kosten van rechtsbijstand zijn gemaakt. Gedacht kan dan worden aan bijvoorbeeld een aan die procedure voorafgaande aanmaning of een andere eenvoudige brief. Dit een en ander is niet alleen van toepassing op degene die voldoening van een vordering verlangt, maar moet van overeenkomstige toepassing worden geacht op degene op wie een ander pretendeert een vordering te hebben en die buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand maakt teneinde zich tegen die vordering te verweren.

5.3.3 Het onderdeel klaagt dat het hof door aan essentiële stellingen van Aegon - waaronder ook de in onderdeel I vermelde stellingen, die erop neerkomen dat deze kosten zijn gemaakt in verband met wanprestatie en/of onrechtmatig handelen van Pejori c.s. - voorbij te gaan en door het passeren van haar ook op de buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand betrekking hebbende aanbod de aard en noodzaak van deze kosten te bewijzen, een onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd oordeel heeft gegeven.

Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor in 5.3.2 is overwogen, slaagt het onderdeel op overeenkomstige gronden als hiervoor in 5.2.3 zijn vermeld. Door niet te onderzoeken of de hier bedoelde kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand op grond van wanprestatie of onrechtmatige daad voor vergoeding in aanmerking zouden kunnen komen en het mede op deze kosten betrekking hebbende bewijsaanbod te passeren, heeft het hof hetzij blijk gegeven van een onjuiste opvatting omtrent art. 6:96 lid 2, aanhef en onder c, BW in verbinding met art. 241 Rv., hetzij zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd.

5.4 De gegrondbevinding van de onderdelen I en II brengt mee dat het subsidiair voorgestelde onderdeel III geen behandeling behoeft.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Pejori c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Aegon begroot op € 4.895,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

in het incidentele beroep:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 25 maart 2003;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt Pejori c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Aegon begroot op € 68,07 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 18 februari 2005.